Falende basisvorming

Afgelopen donderdag presenteerden onderzoekers uit Groningen en Twente de resultaten van een grootschalig cohort-onderzoek naar de schoolloopbaan van leerlingen in het voortgezet onderwijs. `De basisvorming is duidelijk nog voor verbetering vatbaar.'

VAN EEN gemeenschappelijk onderwijsaanbod voor alle leerlingen is geen sprake. Leerlingen worden eerder vroeger geselecteerd dan later. De schoolprestaties zijn op het VWO iets afgenomen. De gelijke kansen voor leerlingen uit de zwakke milieus zijn lang niet gerealiseerd. Met de algemene vaardigheden is het in de lagere onderwijstypen niet best gesteld. Van de beoogde vakkenintegratie en de samenwerking tussen docenten is het nog altijd niet gekomen. En de docenten klagen over een verzwaarde taakbelasting. De basisvorming in het voortgezet onderwijs, in 1993 na lang touwtrekken ingevoerd, is nog maar zeer gedeeltelijk van de grond gekomen. Een mislukking dreigt.

Afgelopen donderdag presenteerden onderzoekers uit Groningen en Twente in Pulchri-studio te Den Haag een handvol rapporten waarin de resultaten zijn neergelegd van een grootscheeps onderzoek naar de veranderingen binnen het voortgezet onderwijs. Ze zijn gebaseerd op de gegevens van twee cohorten van ieder 20.000 leerlingen, verspreid over honderden scholen, die respectievelijk in 1989 en in 1993 in de brugklas begonnen. Ook zijn gegevens over de didactiek en over het beleid op schoolniveau bijgehouden.

``We volgen de leerlingen tot ze het voltijdse dagonderwijs verlaten'', zegt dr. Greetje van der Werf, verbonden aan het Gronings Instituut voor onderzoek van onderwijs, opvoeding en ontwikkeling GION. ``Met Twente, en in overleg met het Cito, stellen we vragenlijsten en toetsen op. Ook hebben we vragenlijsten afgenomen bij schooldirecteuren, hoofden van vaksecties en docenten. Voor de scholen is het toetsen in klas drie een hele klus: de leerlingen zijn op dat moment uitgewaaierd over allerlei klassen en schooltypen, zelfs zitten er op een andere school.''

De basisvorming is de uitkomst van een slepende discussie die gebukt ging onder de erfenis van de middenschoolgedachte. Augustus 1993 is met de invoering gestart. Hoofddoel: een gemeenschappelijk basisprogramma voor de eerste fase van het voortgezet onderwijs, neergelegd in minimum-kerndoelen, aan te bieden aan alle leerlingen. Doorgaans duurt de basisvorming drie jaar, maar ook twee of vier jaar is mogelijk. De vernieuwing moet het onderwijs moderner te maken, met meer aandacht voor het toepassen van kennis en voor het aanleren van vaardigheden. Ook de samenhang tussen de vakken moest breder. Zo kon de kwaliteit van het onderwijs worden verbeterd en omdat de leerlingen hetzelfde gemeenschappelijke programma volgden, kon de keuze voor een studie of beroep op een later tijdstip plaatsvinden. Naast het verplichte programma is er een `vrije ruimte' van twintig procent die de scholen zelfstandig mogen invullen.

DALING

Tot een verbetering van de schoolprestaties heeft de basisvorming niet geleid. Van der Werf: ``Sinds de invoering is op dat vlak weinig veranderd. Leerlingen in de derde klas zijn getoetst op tekstbegrip Nederlands en wiskunde. Bij het VWO nemen we een lichte maar significante daling waar, bij de andere schooltypen zijn de verschillen gering. Omdat het cohort-'93 in klas 1 hoger scoorde op de intelligentietest en op de taal- en rekentoetsen, en omdat de sociaal-economische achtergrond van de basisvormingleerlingen gunstiger was, zou je zelfs kunnen zeggen dat de basisschoolleerlingen er in vergelijking met '89 iets op achteruit zijn gegaan.''

Het bevorderen van gelijke kansen voor alle leerlingen is geen explicite doel van de basisvorming, maar werd wel verwacht. Leerprestaties zouden uitsluitend moeten samenhangen met intelligentie en motivatie, en niet met sekse, sociaal milieu of etnische afkomst. In de praktijk is van gelijke kansen geen sprake en de basisvorming heeft daar niets aan veranderd. Van der Werf: ``Houden we rekening met verschillen in intelligentie- en instroomniveau in klas 1 en met het gevolgde onderwijstype in klas 3, dan blijkt dat meisjes hoger scoren op tekstbegrip dan jongens. Sinds de start van de basisvorming is het verschil zelfs iets toegenomen. Bij wiskunde doen de jongens het beter, evenveel als vroeger. Ook het milieu en de etnische afkomst spelen in dezelfde mate mee als vóór de basisvorming.''

Het beschikken over algemene vaardigheden is alleen in het cohort-'93 gemeten, zodat vergelijken niet mogelijk is. Hoe lager op de schoolladder, hoe slechter het ermee gesteld is. Vooral het IVBO (individueel voorbereidend beroepsonderwijs) blijft achter. Voor de desbetreffende toets was de gemiddelde score 22,4 tegen 42,9 op het VWO (maximum: 56 punten). Van der Werf: ``De basisvorming gaat uit van een gemeenschappelijk aanbod voor alle leerlingen. Dan verwacht je toch dat juist bij de algemene vaardigheden de verschillen veel minder zouden zijn.''

Het zittenblijven is sinds de basisvorming duidelijk afgenomen. Doubleerde van het cohort-'89 de eerste drie leerjaren in totaal 21 procent, na 1993 is dat gezakt tot 13 procent. Jongens blijven vaker zitten dan meisjes, maar de meisjes zijn bezig hun `achterstand' in te lopen. Van der Werf: ``De afname van het zittenblijven heeft niet zozeer met de invoering van de basisvorming te maken als wel met het feit dat scholen bij het plaatsen van de leerlingen in de verschillende typen brugklassen stringenter omgaan met de adviezen die de basisscholen meegeven. Tegenover het mindere zittenblijven staat overigens dat leerlingen vaker afstromen, bijvoorbeeld van 2 Havo naar 3 Mavo. In plaats van een leerjaar over te doen volgt terugplaatsing naar een lager onderwijstype. Dat is efficiënt, maar is het altijd verstandig? Sommige leerlingen zouden na een jaartje doubleren hoger zijn uitgekomen.''

OPSTROMERS

Naast afstromers en doorstromers telt het onderwijs ook opstromers: leerlingen die zonder tijdverlies overstappen naar een hoger schooltype. Zijn opstromers doorgaans de betere leerlingen, voor de afstromer geldt opvallend genoeg niet het omgekeerde: hij scoort op de toetsen hoger dan de reguliere doorstromer. Wel toont de aankomende afstromer zich al in het eerste leerjaar minder gemotiveerd en zegt hij school minder leuk te vinden. Sociaal milieu speelt een belangrijke rol. Bij gelijk advies van de basisschool stromen leerlingen van betere afkomst vaker op, en minder vaak af, dan leerlingen uit de zwakkere milieus.

Leerlingen, zo blijkt uit de Groningse analyses, hebben baat bij plaatsing in het hoogste type brugklas dat nog aansluit bij het advies van de basisschool. Van der Werf: ``Een leerling met een Mavo-advies die in een Mavo/Havo-brugklas is geplaatst bereikt na vijf jaar gemiddeld een hogere positie op de ladder dan een vergelijkbare leerling die begon op een categorale Mavo. Nog beter af zou hij zijn geweest in een brede VBO/Mavo/Havo/VWO-brugklas. De VWO-leerling uit die brede brugklas heeft juist weer meer baat bij een categoraal VWO. Opvallend is dat de leerling die aldus hoger uitkomt op de toetsen gemiddeld lager scoort dan de leerling met hetzelfde advies die in een homogene klas terecht kwam. Kennelijk spelen factoren als motivatie een belangrijke rol.''

Voortijdig schoolverlaten blijft ook in de basisvorming een probleem. Eén op de veertien leerlingen in het voortgezet onderwijs houdt het binnen vier jaar voor gezien en vertrekt zonder diploma. De problemen doen zich het sterkst voor binnen het VBO en het IVBO. Vaker gaat het om jongens dan om meisjes en leerlingen uit sociaal zwakke milieus en allochtonen zijn oververtegenwoordigd. Van der Werf: ``Het gaat om leerlingen die niet slechter scoorden dan hun klasgenoten. In de derde klas – als ze er toen tenminste nog waren – deden ze het zelfs beter, al was hun motivatie minder. We hebben een vragenlijst naar hun huisadres gestuurd. De respons was zwak, nog geen 20 procent. De helft is in deeltijd aan een nieuwe opleiding begonnen, maar ook die wordt vaak niet afgemaakt. Vaak zeggen ze van school te zijn gegaan om geld te kunnen verdienen. Dat lukt: ze zijn op grote schaal aan het werk. Dat vinden ze op eigen kracht, arbeidsbureaus of jeugdwerkgarantieplannen zijn niet aan ze besteed.''

Aan de Universiteit Twente hebben prof.dr. Roel Bosker en zijn medewerkers de cohortgegevens op schoolniveau bekeken. ``De basisvorming is duidelijk voor verbetering vatbaar'', zegt Bosker, verbonden aan het Onderzoekcentrum voor Toegepaste Onderwijskunde OCTO. ``Neem het lesrooster. Gegevens van het schooljaar 1997-98 wijzen uit dat de gemiddelde leerling zo'n 3000 uur per jaar krijgt voor het kernprogramma in de basisvorming. Maar hoe lager het onderwijstype, hoe minder dat aantal uren is, terwijl de zwakkere leerling toch gebaat is bij meer tijd. Maar ja, de scholen hebben de vrijheid om het onderwijs naar eigen goeddunken in te richten. Op het VBO stoppen ze liever meer tijd in motiverende praktijkvakken, ten koste van de aandacht voor de kerndoelen. De minimumdoelen voor de Mavo- en VBO-leerlingen zijn naar beneden bijgesteld. Docenten lijken zich erbij neer te leggen dat aan een differentiatie per onderwijstype niet valt te ontkomen en dat was toch niet de bedoeling.''

Met de gewenste harmonisering in de basisvorming zijn de leraren nog maar weinig opgeschoten, constateren de Twentse onderzoekers. Bosker: ``Voor de meeste vakken mogen nieuwe methodes ontwikkeld zijn, die bieden de docent net als vroeger een zekere vrijheid. Vervolgens blijft hij in de traditionele sfeer hangen en laat hij het een beetje zitten waar het erom gaat de nieuwe vaardigden aan de man te brengen. Ook de beoogde vakkenintegratie staat nog op een laag pitje. Een beroemd buitenlands voorbeeld is science, welk vak wiskunde, natuurkunde, scheikunde en biologie in zich verenigt. Dat is bij ons lang niet aan de orde. En aan de versterkte samenwerking tussen vaksecties en tussen docenten binnen vaksecties is evenmin veel gedaan. Het lijkt er een beetje op dat de onaantastbare positie van de docent de vernieuwing flink in de weg zit.''

SORTEREN

Uitstel van studie- en beroepskeuze was een oude wens die in de basisvorming verwezenlijkt moest worden. Bosker: ``Het idee was een heterogene brugperiode in te richten met breed samengestelde klassen. Maar in de praktijk zie je een tegenovergestelde tendens, het sorteren in aparte onderwijstypen begint juist vroeger. Je hebt òf klassen voor VBO, Mavo, Havo of VWO, òf dakpanklassen met twee onderwijstypen, bijvoorbeeld Mavo/Havo. Scholen mogen volhouden dat hun selectie en determinatie in orde zijn, uit het Groningse onderzoek blijkt dat de ongelijkheid – reden voor de politiek om op uitstel van studiekeuze aan te dringen – in stand blijft. Snelle selectie in homogene groepen leidt ertoe dat brede en smalle scholengemeenschappen betrekkelijk weinig van elkaar verschillen. Door het vroege sorteren van leerlingen zijn de brede scholen in feite een verzameling van categorale scholen onder één dak. Geen wonder dat beide soorten er even goed of slecht in slagen de basisvorming gerealiseerd te krijgen.''

Is de basisvorming een mislukking? Voor die conclusie acht Bosker het nog te vroeg. ``We staan op het punt dat het dubbeltje twee kanten kan opvallen. Vernieuwing kost tijd. Als we in het onderwijs aan het verbeteren slaan duurt het een decennium, en niet een paar jaar, eer de zaken gestalte krijgen. Zie de enorme fusiegolf in het voortgezet onderwijs, die begin jaren negentig het scholenbestand zo'n beetje halveerde. Dat proces was een van de voorwaarden om de basisvorming aan de praat te krijgen. Pas nu zijn we zover dat we de basisvorming vorm kunnen geven. Een volgend cohort zal moeten uitwijzen of de doelen er over een paar jaar beter voorstaan.''

Een samenvatting van de belangrijkste conclusies van de rapporten is te vinden in een special bij het septembernummer van het tijdschrift `Didaktief en School'.