`Er is geen reden meer voor gedoe'

Borst vooruit, boord en jasje gesloten, en die sonore lach: Jozias van Aartsen laat het decorum nooit zakken. Hij heeft veel kritiek geoogst in zijn eerste jaar als minister van Buiten- landse Zaken. Aan duidelijkheid schort het niet, ook over de verhouding tot de NAVO. `We moeten creatief zijn.'

Een zeer warme zaterdag op vliegveld Istanbul, vandaag twee weken geleden. Voor de VIP-room staan stoffige helikopters in de trillende lucht. Militairen en ambtenaren lopen heen en weer, snel sprekend in de gsm's aan hun oren. Het is een paar dagen na de aardbevingsramp die Noordwest-Turkije heeft getroffen, iedereen is nerveus en afgedraaid.

Binnen zit de nieuwe Belgische minister van Buitenlandse Zaken en vice-premier, Louis Michel, te wachten op zijn terugreis naar Brussel. Een dikkige transpirerende man in verkreukelde kakibroek, open vakantiehemd en bodywarmer, zichtbaar afgemat na een bezichtiging van het rampgebied. De deur gaat open en Michels collega, Jozias van Aartsen, ook op condoleancebezoek en ook terug van een rondvlucht per helikopter van twee uur, stapt binnen. Fit en vertrouwd vormelijk ogend: geen zweetdruppel op het gezicht, donkerblauw pak, lichtblauw hemd met witte boord, de dasknoop als steeds hoog aan de keel. Hij steekt ter begroeting zijn gestrekte arm uit naar de Belgische collega, die als door een klap getroffen weer in zijn stoel valt.

Vier dagen later, Van Aartsen is halverwege zijn aansluitende (eerste) reis naar het Midden-Oosten, weer een scène van dat type, temperatuur dit keer 38 graden. Op het strand van de Gaza-strook, waar Nederlandse en Franse bedrijven een Palestijnse haven gaan aanleggen, komt de minister aangeschreden. Net als hij gaat zijn gevolg in donker diplomatentenue, licht strompelend door het zand, als een pinguïn-cortège aan de Middellandse Zee. De dankbare Palestijnse gastheren zijn gewend aan deze hitte en houden het wankelende gezelschap drie kwartier bezig. De enige Nederlander die daarna vief terugloopt naar de wachtende auto's is – inderdaad – de minister, die olijk kijkt en klagerige omstanders zijn sonore langgerekte lach laat horen. Zo'n lach die je als kind had willen hebben tot je er Wim Kan `getoonzette benauwdheid' tegen hoorde zeggen.

Zulke demonstraties van fitness en zelfbewustheid passen bij het belang dat Van Aartsen aan zijn functie en – naar het legaat-Bolkestein – aan Nederlands plaats in Europa en de wereld hecht. Nederland is veel groter, in economisch opzicht en als contribuant van internationale organisaties, dan het op de kaart lijkt, is zijn boodschap, ook in de Tweede Kamer. Daar schiet men wel eens in de lach wanneer de minister rapporteert als reizend Nederlands emissario: bestudeerd zelfbewust, de borst vooruit, handen in de zijzakken van het jasje, middelste knoopje dicht. ,,Ik en Albright'' is intussen een staand grapje op Buitenlandse Zaken.

Van Aartsen is zoon van een Antirevolutionaire minister en commissaris van de koningin. Volgens klasgenoten is hij op het Haagse Christelijk gymnasium een gezette en trage jongen, hij blijft er een keer zitten. De rechtenstudie aan de Vrije Universiteit maakt hij niet af, hij heeft meer praktische belangstelling voor politiek en bestuur, waarover thuis dagelijks werd gesproken. Dus wordt hij op voorspraak van oud-minister Toxopeus, ex-collega van Van Aartsen senior, op zijn 23ste (1970) medewerker van de VVD-fractie in de Tweede Kamer, waarin leermeester Hans Wiegel een jaar later, net 30, debuteert als fractieleider.

Talloos zijn de verhalen en anekdotes over zijn innige band met Wiegel, met wie hij tot twee keer toe in vliegende vaart in diens Friese buitenhuisje VVD-verkiezingsprogramma's schrijft. Minister Wiegel is ook de man die Van Aartsen, die in '74 directeur van het wetenschappelijk bureau van de VVD geworden is, in 1979 op Binnenlandse Zaken verwelkomt als bureauchef van de secretaris-generaal. Op dat ministerie klimt Van Aartsen in zes jaar tijd zelf op tot secretaris-generaal (1985), hij zal er na Wiegel tot 1994 velerlei ministers dienen: Van Thijn, Rood, Rietkerk, De Korte, Van Dijk, Dales en weer Van Thijn, die allen hoog opgeven van de kwaliteit en loyaliteit van hun hoogste ambtenaar, die op zijn beurt zicht krijgt op allerlei hoog-politieke finesses. Zijn enige echte tegenslag beleeft hij als hij in 1992 een gooi doet naar het burgemeesterschap van Utrecht. Wegens ,,te veel afstandelijkheid'' verliest hij daar van zijn partijgenoot Opstelten (nu: Rotterdam).

Esprit de corps

Intussen is Van Aartsen, die als twaalfjarige zijn vader in de Tweede Kamer zag sneuvelen door toedoen van diens vrienden in de ARP-fractie (de zogenoemde ,,jenevercrisis' in 1960) en die als jonge man de strenge Antirevolutionaire wereld van zijn ouders verliet, een bijzondere VVD'er. Intimus van Wiegel is hij eerst (en nog). Later raakt hij als ambtenaar niet rechtstreeks betrokken bij interne partijruzies tijdens het tumultueuze VVD-leiderschap van Nijpels ('81-'86), de electoraal magere jaren-Voorhoeve ('86-'89) en de moeizame start van Bolkestein.

Kortom: een stille kracht van Van Aartsen is dat hij overal in zijn partij gerespecteerd wordt. In het touwtrekken om de erfenis-Bolkestein, om het uiteindelijke leiderschap van de partij die er van overtuigd is straks de grootste van Nederland te worden dus, is dat een plus in vergelijking met generatiegenoten-collega's als Annemarie Jorritsma (Economische Zaken, 49), Frank de Grave (Defensie, 44) en Loek Hermans (Onderwijs, 48).

Op zijn ministerie begint Van Aartsen zomer '98 met kritiek op zijn voorganger Van Mierlo (D66) omdat die niet hard genoeg zou hebben gewerkt aan Nederlands kandidatuur voor een tijdelijke zetel in de Veiligheidsraad. En aan Van Mierlo's bijzondere aandacht voor Suriname maakt hij een einde. In 1994 heeft hij zich op Landbouw ook al direct kritisch over voorganger Bukman (CDA) uitgesproken. Maar op Buitenlandse Zaken verzet het diplomatieke esprit de corps zich tegen zoiets onfijns, zodat de naam van zijn tegenpool Van Mierlo, voorheen vaste schiefschijf van de VVD-fractie, even later bijna helemaal niet meer wordt genoemd.

Bezuinigen moet de minister, tot tweehonderd miljoen 's jaars in 2002. Hij moet aan efficiencyvergroting doen, het personeelsbeleid reorganiseren, de stagnerende `Herijking' nieuwe vaart geven, zich inlezen in vele dossiers. En hij moet na vier jaar aarzelen van Van Mierlo positie kiezen ten opzichte van de ,,sterke man'' van het departement: de ooit door minister Van den Broek als secretaris-generaal aangetrokken Dirk-Jan van den Berg (CDA), bij wie `Beheer' (strakke organisatielijnen, bezuinigen, altijd de concrete output meten) volgens vele verontwaardigde diplomaten te vaak voorrang krijgt boven `Beleid'. Hun jargon heeft er een mooie term bij sinds zij klagen over Van den Bergs ,,kwantitatief reductionisme''.

Botsingen

In Van Aartsens eerste half jaar volgt de ene botsing na de andere: de minister bepleit openlijk een personeelsbeleid als bij Unilever en Shell en stelt zijn gekwetste diplomaten de ambtenaren bij Landbouw (!) tot voorbeeld. Weinig tactisch is voorts dat hij tijdens de ambassadeursconferentie, begin dit jaar, openlijk het functioneren van zijn directeuren-generaal kritiseert. Bovendien blijkt Van Aartsen zeer his own man bij benoemingen; hij houdt de kaarten lang tegen de borst voor hij daarover soms verrassende besluiten neemt (Berlijn, Moskou, VN).

Zo komt VN-vertegenwoordiger Jaap Ramaker, die hard heeft gewerkt aan de Nederlandse verkiezing als lid van de Veiligheidsraad, ongerust in Den Haag vragen of hij nu ook zelf als permanent vertegenwoordiger mag aanblijven. Dat ergert de minister zó dat hij de al bijna gepensioneerde topdiplomaat Peter van Walsum benoemt. Ander voorbeeld: de directeur veiligheidsbeleid heeft goede beoordelingen, maar omdat zijn ,,chemie'' met de minister niet klopt moet hij toch na twee jaar al naar Genève vertrekken.

Maar intussen verbetert de sfeer op Van Aartsens ministerie. Zijn optreden in de Tweede Kamer is sterk, bijvoorbeeld jegens GroenLinks in de Kosovo-crisis. Daarin was hij namens het kabinet ,,de duidelijkste'', meer dan Kok en De Grave, zeggen de medewerkers tevreden. Zijn reis naar het Midden-Oosten is geslaagd, zijn dossierkennis gegroeid, zeggen zij ook, wat het makkelijker maakt om beleid in plaats van beheer te bespreken. Tijd voor een gesprek in de ministerskamer, pal tegenover Landbouw, aan de overkant van de Utrechtse Baan.

Vorig najaar bepleitte u in Elsevier een personeelsbeleid als in het (grote) bedrijfsleven. U zei dat u zonodig nog wel goede ambtenaren op uw vorige departement, Landbouw, zou weten te vinden. U sprak ook over sleetse carrièremodellen op Buitenlandse Zaken en te weinig interne mobiliteit. Daarop volgde een stormpje onder uw mensen.

,,Ik denk dat die opmerking destijds te veel is beschouwd als kritiek op personen. Maar daar was geen sprake van, daartoe bestond ook geen enkele aanleiding. Buitenlandse Zaken is binnen de rijksdienst een voorbeeld van mobiliteit. Maar in je eerste ministersjaar, dat was op Landbouw net zo, leven er allerlei uiteenlopende gedachten en verwachtingen. Het neemt altijd enige tijd om mensen op dat stuk nader tot elkaar te brengen. De discussies komen weer op gang, dat is goed. We gaan weer meer accent leggen op beleid in plaats van beheer, op vooruitwerken en plannen, meer doen aan de battle of wits. Want we moeten creatief zijn.''

De sfeer is weer goed?

,,We kunnen zeggen: Buitenlandse Zaken is weer op orde, al blijft onderhoud natuurlijk nodig. Toen ik hier aankwam zat het ministerie in een discussie over zijn topstructuur. Moest het directoraat-generaal regiobeleid blijven of niet, bijvoorbeeld. Nu, dat debat hebben we gehad. Wat het personeelsbeleid betreft: de bezuinigingen zijn op hoofdlijnen vastgesteld, we moeten nog een aantal ambassades sluiten. Die in Koeweit voorlopig toch niet, daarvoor moet nog een alternatief worden gevonden. Er is geen reden meer voor gedoe. In de top van het ministerie zijn nog wel te weinig vrouwen, daaraan is nog wat te doen.

,,En Buitenlandse Zaken is nooit van de kaart af geweest. Alleen: in de vorige regeerperiode waren er meningsverschillen tussen de bewindslieden op Defensie, Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking. Dat is nu niet zo, premier Kok heeft als formateur een buitengewoon gelukkige hand gehad bij de keuze van de ministers en staatssecretarissen in onze driehoek. Wij zijn het inhoudelijk eens en kunnen ook persoonlijk uitstekend met elkaar door één deur.''

De Kosovo-crisis heeft tijd en energie opgeslokt en andere prioriteiten verdrongen. Als tijdelijk Veiligheidsraadvoorzitter maakt Nederland later deze maand een soort drieslag in de VN. Met themaspeeches over de veiligheid van ontwikkelingswerkers in de Derde Wereld spreken, over de gevaren van de wereldwijde handel in kleine wapens (Van Aartsen) en Afrika, waarover premier Kok zal spreken. Wat staat er aan prioriteiten voor de komende jaren op uw agenda?

,,Ik heb die prioriteiten begin dit jaar op de ambassadeursconferentie aangegeven: de transatlantische betrekkingen, de Europese integratie, de mensenrechten, dat is eigenlijk punt één. Voorts Afrika en het Midden-Oosten. Noodzakelijk was en is natuurlijk ook een discussie over de grenzen van Europa. Het Kosovo-conflict heeft die discussie als het ware naar voren gehaald, zeker als we kijken naar de relatie tussen de Europese Unie en de Balkan. Wat dat betreft biedt zo'n crisis ook kansen.''

De Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) kraakte deze week de Hoofdlijnennotitie van u en minister De Grave over de toekomst van de krijgsmacht. Het Defensiebudget is al niet toereikend voor de crisisbeheersing, laat staan voor de extra kosten van een eigen Europese defensie-identiteit. Wat vindt u van dat advies?

,,Ik heb het nog niet gelezen, maar de boodschap lijkt me helder. Ik ben er niet ongelukkig mee. Maar PvdA-fractieleider Melkert en zijn D66-collega De Graaf hebben Defensie nog niet op hun wensenlijstje staan als zij spreken over de verdeling van meevallers.''

De PvdA komt volgende week met een eigen nota waarin zij een nieuwe koers presenteert: niet bezuinigen op Defensie, misschien zelfs wat erbij. Is dat voor u en De Grave niet een mooi moment om in het kabinet om extra geld te vragen?

,,Nee. Die kwestie zal zonder twijfel bij de behandeling van de begroting en de Defensienota in de Tweede Kamer aan de orde komen. We hebben vorig jaar een regeerakkoord afgesproken, over eventueel extra geld voor Defensie moet eerst in de Kamer worden gepraat. In de NAVO wordt trouwens positief gesproken over de Nederlandse bijdrage, dat heeft secretaris-generaal Solana hier een paar maanden geleden nog bevestigd.

,,Dat Europa een grote bijdrage moet leveren aan de veiligheid op het eigen continent, staat vast. Daar moet het tot een betere balans met de VS komen. Het debat daarover is gaande en moet parallel lopen aan de ontwikkeling van een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie, zoals is aangegeven in het Verdrag van Amsterdam (1996). En de kaarten zijn sindsdien ook door de Balkan-crises anders komen te liggen. Maar Nederland voelt niets voor voorstellen die de band met de NAVO losser maken. Zoals de jongste voorstellen van de Franse president, waarbij de ooit beoogde Europese Defensiegemeenschap (EDG) weer om de hoek komt kijken.''

Met welke EU-collega kunt u het best overweg? Met Joschka Fischer, die uw ambtenaren en diplomaten al herhaaldelijk als intellectueel en politicus heeft geïmponeerd?

,,Ik zal niet verhelen dat ik met mijn Duitse collega een nauwe relatie heb. Hij is een heldere man, die niet al te veel van details houdt. We hebben schouder aan schouder gestaan in de Kosovo-crisis. Ik heb op de punt van mijn stoel gezeten toen hij op Hemelvaartsdag met de Groenen een magistraal debat over Kosovo voerde. We hebben soms ook wel plezier samen, bijvoorbeeld als collega's uren in de weer zijn om op detailpunten formuleringen te vinden.''

Wat komt na deze regeerperiode? Weer Buitenlandse Zaken?

,,Daar denk ik nog niet over na. Deze ministerspost goed doen, daaraan heb ik mijn handen vol. Ik vind het een eer, we zijn een heel bijzonder land. Dat we zelfs in het Caraïbisch gebied zitten maakt ons bovendien ook een beetje een Latijns-Amerikaans land.''