Dus toch jagers

Neanderthalers gingen systematisch en selectief te werk bij de jacht en bij de verwerking van de buit. Deze ontdekking, die binnenkort wordt gepubliceerd in het Journal of Human Evolution, werpt een nieuw licht op hun gedragsrepertoire.

IN 1952 werden bij Salzgitter Lebenstedt (Noord-Duitsland) overblijfselen van Neanderthalers ontdekt, samen met benen werktuigen en dierenbotten, hoofdzakelijk van een tachtigtal rendieren. De vondsten dateren waarschijnlijk uit de periode 100.000 tot 50.000 jaar geleden, maar zijn mogelijk nog ouder. De vindplaats lag in een smalle kloof die doorgang bood naar een breed rivierdal, een ideale plek om dieren op weg naar dat dal te onderscheppen.

De onderzoekers S. Gaudzinski en W. Roebroeks, van respectievelijk het Römisch-Germanisches Zentralmuseum te Mainz en de archeologische faculteit van de Leidse Universiteit, analyseerden verleden jaar de faunaresten. Daarbij bleek tot hun verrassing dat de jagende Neanderthalers zeer selectief te werk gingen. Ze hadden het vooral op de volwassen rendieren gemunt. Snijsporen op en rond gewrichten toonden aan dat de verwerking routinematig en vakkundig gebeurde. Met een aantal gerichte sneden werden de gedode dieren van hun vlees ontdaan. De analyse wees ook uit dat de Neanderthalers vervolgens díe botten selecteerden waar het meeste merg in zit, onder andere de middenvoetsbeenderen. Na twee tikken onder het botuiteinde konden ze een deel van schacht lichten en het merg verwijderen. Bij het slachten en de mergwinning gebruikten de Neanderthalers vuurstenen werktuigen, terwijl op de vindplaats ook messen van gepolijste mammoetribben werden aangetroffen. De indruk die na het onderzoek achterblijft is dat er sprake moet zijn geweest van een volledig gestandaardiseerde werkwijze, aldus Roebroeks. Dat heeft grote gevolgen voor de kijk op de capaciteiten van Neanderthalers.

Tot een paar decennia geleden gingen paleo-antropologen er voetstoots van uit dat Vroege Mensen naast verzamelaars van plantaardige voedsel vooral jagers waren geweest. Jagen zou een grote rol hebben gespeeld in de gedragsmatige evolutie van de mens. Toen men echter snijsporen op dierenbotten aantrof die over knaagsporen van roofdieren heenliepen, kon dit alleen maar betekenen dat Vroege Mensen ook aaseters waren. De Amerikaanse antropoloog Lewis Binford lichtte vervolgens de bewijsvoering voor vroeg menselijk jachtgedrag kritisch door.

Binford, die bekendheid had verworven met zijn onderzoek onder huidige jagers/verzamelaars zoals de Nunamuit-eskimo's, liet geen spaan heel van de paleo-antropologische veronderstellingen. Hij dichtte Vroege Mensen slechts zeer beperkte capaciteiten toe. Ze zouden opportunistische scharrelaars zijn geweest en bij het vinden van voedsel de concurrentie met roofdieren niet hebben aangekund: ze liepen eerder de kans zèlf prooi te worden. Misschien hadden ze zich, als er geen gevaar te duchten was, weleens op de laatste restjes vlees aan een karkas gestort, maar jagen? Nee. Jacht is meer dan een kwestie van doden, betoogde Binford. Jagen is ingebed in een systeem van omgang met het landschap, van plannen, van het voorspellen van het gedrag van dieren, van het vinden van onderscheppingslocaties. Tot het gedragsrepertoire dat voor dit alles nodig is, zouden pas Moderne Mensen in staat zijn geweest.

Binford legde in zijn rol van advocaat van de duivel vragen op tafel die de paleo-antropologie was vergeten te stellen. Roebroeks: ``Toen hij zijn kritiek formuleerde waren er inderdaad geen goede aanwijzingen voor jacht door vroege mensachtigen. Als een bot en een stenen gebruiksvoorwerp bij elkaar werden aangetroffen, interpreteerde men dit als bewijs voor de jacht. Hij wees erop dat zoiets voor die veronderstelling onvoldoende was.''

Behalve boosheid onder paleo-antropologen oogstte Binford echter ook veel bijval. Zo zag men in Europa het oude vermoeden over de capaciteiten van Neanderthalers onderbouwd. En later, bij een uitgebreid onderzoek naar dierenbotten in een Neanderthaler-context, bleken schedels en onderpootbotten steeds te domineren. Typisch resten waarop aaseters zijn aangewezen nadat roofdieren zich te goed hebben gedaan. Daarmee was dan ook een archeologisch bewijs gevonden voor de lang bestaande gedachte dat de Neanderthaler een aaseter moest zijn geweest. Wel waren er twee speren gevonden, een spits bij Clacton (300.000 jaar oud) en een compleet exemplaar bij Lehringen (120.000 jaar oud). Maar dat waren, zo meende althans de Engelse Binford-adept Clive Gamble, sondes waarmee Neanderthalers in de sneeuw naar kadavers hadden gezocht.

Nu is ook dat beeld weer gewijzigd. Archeologen hebben sindsdien, gebruik makend van Binfords methoden, een groot aantal vindplaatsen kritisch onderzocht. Hierdoor en door nieuwe vondsten is de Vroege Mens als jager weer helemaal terug. Naast andere ontdekkingen waren daarbij van belang de 500.000 jaar oude speerinslag in het schouderblad van een paard, aangetroffen in het Zuid-Engelse Boxgrove; de 450.000 jaar oude werpsperen van Schöningen gebruikt voor de jacht op paarden (wat gewicht en balans betreft precies de nu in de atletiek gebruikte vrouwenspeer); en de onlangs in Syrië gevonden 50.000 jaar oude Levalloisspits die in de nekwervels van een wilde ezel stak.

Roebroeks wijst erop dat wetenschappers uit andere disciplines al veel eerder hadden betoogd dat de aaseter-theorie niet deugde. Zij kregen echter weinig gehoor. Hun argumenten zijn van fysiologische aard en richten zich op de ecologische context van aaseten. Wie aas eet, wordt geconfronteerd met een onzichtbare vijand, stelden zij. Onmiddellijk na de dood van een dier proberen micro-organismen het kadaver voor de concurrentie ontoegankelijk te maken. Roofdieren die in aaseten zijn gespecialiseerd beschikken over een darmflora die daartegen bestand is, maar voor andere dieren is dit voedsel levensgevaarlijk. Incidenteel zou het niet zo'n probleem zijn, maar als overlevingsstrategie voor de soort is dit veel te riskant.

Deze theorie wint aan kracht nu onlangs is gebleken dat bij de analyse van het eerdergenoemde uitgebreide bottenonderzoek over het hoofd is gezien dat de betrokken paleontologen alleen geïnteresseerd waren in makkelijk te determineren fragmenten. Omdat lange botschachten voor de identificatie van de dieren nauwelijks aanknopingspunten bieden, had men die bij opgravingen nogal eens als rommel terzijdegeschoven. Worden lange botschachten echter wèl bij de tellingen betrokken, dan verdwijnt het patroon van oververtegenwoordiging van schedels en onderpootbotten en verliest de theorie van aasetende Neanderthaler haar kracht.

En daarbovenop komt nu dus het resultaat van de analyse van Gaudzinski en Roebroeks. Hun onderzoek heeft gevolgen voor het inzicht in de ontwikkeling van het gedragsrepertoire. Het blijkt dat bijvoorbeeld het aanmaken van steeds geavanceerdere werktuigen in de loop van Vroeg, Midden en Laat Paleolithicum (de periode 2,5 miljoen tot 10.000 jaar geleden) niet bepalend is voor dat gedragsrepertoire.

Roebroeks: ``In de Noord-Duitse laagvlakte zwierven tussen 15.000 jaar en 10.000 jaar geleden rendierjagers rond. Moderne Mensen van de zogenoemde Hamburg- en Ahrensburgcultuur. Zij lijken vanuit basiskampen te hebben geopereerd. Of Neanderthalers dat ook deden is niet bekend, daar bestaan geen aanwijzingen voor. Maar wat die Moderne Mensen met hun jachtbuit uitvoerden lijkt, afgaand op het vondstenpatroon, zeer sterk op wat de Neanderthalers tienduizenden jaren eerder hadden gedaan. Er bestaat overeenkomst in de verschillende skeletelementen, in de omgang met de skeletten, de snijsporen bij de gewrichten, de toegang tot het merg, het verspreidingspatroon van de vuursteen. En wat Binford beschreef over de jachtbuitverwerking door zijn Nunamuit-eskimo's vertoont ook weer datzelfde patroon. Een aio hier uit Leiden, Boudewijn Voormolen, gaat de 450.000 jaar oude overblijfselen van Schöningen analyseren. Hij heeft die resten al een keer globaal doorgekeken en stelt dat het hem niet zou verbazen als daar hetzelfde patroon uit te voorschijn komt.''

Als dat zo zou zijn, is het niet langer houdbaar te veronderstellen dat pas Moderne Mensen de complexe gedragingen bezaten die voor de jacht noodzakelijk zijn. Kennelijk werd de basis daarvoor diep in het Paleolithicum gelegd, en in ieder geval de omgang met de jachtbuit zou daarna honderdduizenden jaren niet noemenswaardig meer veranderen, de opkomst van de Moderne Mens ten spijt.

De analyse van de rendierbotten van Salzgitter Lebenstedt heeft de deur opengezet voor andere veronderstellingen over de gedragingen van Neanderthalers. Als zij systematisch en selectief jaagden, op grote aantallen dieren, en de vangst geroutineerd en selectief verwerkten, dan moeten zij de jachtopbrengst vrijwel zeker naar een afgesproken plek hebben gebracht en daar hebben verdeeld. Dat vergt organisatie, planning en veronderstelt het bestaan van een systeem van omgang met voedselbronnen in relatie tot het landschap. Harde aanwijzingen voor dergelijke `verzamelplaatsen' zijn tot op heden niet gevonden, maar de veronderstelling dat de Neanderthalers daartoe in staat waren lijkt langzamerhand gewettigd.