De grens van het toelaatbare

Opluchting alom op de beurzen na de meevallende werkgelegenheidscijfers die gisteren in de VS werden gepubliceerd. De Nieuwe Economie blijft afrekenen met angst en scepsis onder beleggers. De vraag is: hoe lang nog? ,,Dit is de grens van het toelaatbare.''

Drie hoeraatjes voor de Nieuwe Economie. Beleggers reageerden gisteren wereldwijd opgetogen op de jongste Amerikaanse cijfers over de arbeidsmarkt. De Europese beurzen gingen ruim 2 procent omhoog. Een koerssprong op de obligatiemarkten bracht de lange-termijnrente met 0,07 procentpunt naar beneden. En in New York maakten de aandelen- en obligatiekoersen een al even grote vreugdesprong.

Reden voor de opgeluchte stemming was dat de werkgelegenheidsgroei in de Verenigde Staten terugviel. Verwacht was dat er in augustus 220.000 banen bij zouden zijn gekomen, bij een tot 4,2 procent dalende werkloosheid, en dat het uurloon in de VS met 0,4 procent op maandbasis zou zijn gestegen. Meer dan dat, en de inflatiedruk in de VS zou zodanig toenemen dat de centrale banken daar tijdens hun vergadering in oktober de rente zouden verhogen.

Het werd minder. Het aantal banen nam maar met 124.000 toe, en de uurlonen stegen maar met 0,2 procent. Alleen daalde, doordat de beroepsbevolking minder snel steeg, de werkloosheid wel tot de verwachte 4,2 procent.

Zo kwam een opgelucht einde aan de zoveelste heikele dag. Want de mate van nervositeit zoals die gisteren op de markten heerste is al lang geen uitzondering meer. ,,De Amerikaanse economie blijft op de grenzen van het toelaatbare opereren,'' zegt P. van Doesburg van de zakenbank Kempen & Co. Voor dit jaar wordt, volgens de gemiddelde raming op de financiële markten, een economische groei van 4 procent verwacht. Elk signaal dat er uiteindelijk toch inflatie zal optreden, elk teken dat de economie nóg harder groeit of juist terugvalt, vertaalt zich in opgelucht stijgende, of bangelijk dalende koersen op de beurs.

Voor de Amerikaanse beleggersgemeenschap, die geneigd is elk jongste macro-economische cijfer tot de nieuwste waarheid te verheffen, was er alleen al deze week aanleiding voor flinke stemmingswisselingen. Op maandag bleek dat de verkopen van nieuwe huizen zeer sterk waren toegenomen, met een miljoen in juli. Dinsdag bleek dat de inkoopprijzen die de industrie betaalt het hoogste waren sinds 1994, en dat de industriële activiteit voor de zevende maand achtereen was toegenomen. De zogenoemde index of leading indicators wees woensdag op gestaag groeiende economische activiteit tot ver in het jaar 2000. Donderdag bleken de orders van de industrie jaar op jaar met 7,1 procent te zijn gestegen. Maar diezelfde dag bleken de loonkosten per eenheid product met ruim 4,5 procent te zijn toegenomen op jaarbasis, de grootste stijging sinds begin 1994. En de stijging van de arbeidsproductiviteit, het vlaggeschip van de Nieuwe Economie, bedroeg in het tweede kwartaal op jaarbasis een magere 0,6 procent.

Dat beloofde allemaal niet veel goeds voor de werkgelegenheidscijfers in augustus, die een forse stijging van het aantal banen en de uurlonen te zien hadden moeten geven. De beurzen waren een groot deel van de week dan ook in mineur. Maar opnieuw sloeg gisteren de stemming om, toen alle tekenen van economische oververhitting wederom nauwelijks in de loonstijging terug te vinden waren.

De beurzen blijven zo op het slappe koord lopen. Aan de ene kant handhaven de bedrijven hun winsten door de hogere loon- en inkoopkosten aan de klanten door te rekenen. Hetgeen uiteindelijk zijn weg vindt in inflatie.

Aan de andere kant nemen de bedrijven de kosten voor eigen rekening en blijft de inflatie laag, maar gaat dat wel ten koste van de winst per aandeel.

De onbekende in deze vergelijking is de productiviteitsstijging, die kan zorgen dat de prijsstijging onder controle blijft en de bedrijfswinsten toch kunnen groeien. Maar die productiviteitsstijging viel nu juist donderdag tegen.

Volgens Van Doesburg zit inflatie in de VS wel in de pijplijn. Het is alleen nog de vraag of bedrijven de prijsstijging voor eigen rekening nemen ten koste van de winst, of hem doorberekenen tot uiteindelijk de consumentenprijzen omhoog schieten. In het eerste geval zijn de hoge beurswaarderingen moeilijk vol te houden. In het tweede geval gaat de rente in reactie op de inflatiestijging omhoog.

Het dilemma hoeft volgens Van Doesburg niet rampzalig slecht uit te pakken - als de pijn wordt verdeeld. Wanneer tegelijkertijd de inflatie bescheiden oploopt en de bedrijfswinsten bescheiden wat onder druk komen, dan kan dat het meest gunstige zijn dat de beurzen kan overkomen. Van Doesburg zegt: ,,Dat is niet het mooiste plaatje, maar wel het minst slechte.''