Cultuur is een eerste levensbehoefte

Het klassieke denken over cultuur dreigt te verdwijnen in de Bermuda-driehoek: kapitalisering, mediasering en politisering. Maar de muzen mogen zich niet aanpassen aan de toenemende infantilisering, zij dienen ons juist te verheffen, vindt R.F.M. Lubbers.

Een debat over cultuurpolitiek moet beginnen met heldere definities. Het is van belang om een onderscheid te maken tussen twee vormen van cultuur. We kunnen over cultuur spreken als een antropologisch begrip en daarmee bedoelen alles dat op een of andere wijze de culturele identiteit van mensen bepaalt: hoe we ons kleden, gedragen, bij welke groep we willen horen, waar we ons wel of niet mee willen identificeren. Cultuur in deze zin is bevestigend, conformerend, het is een uitdrukking van wie we zijn; onze wortels en emoties. En zolang er mensen zijn, zal deze vorm van cultuur bestaan.

Maar ik wil spreken over cultuur als normerend begrip, dat wil zeggen: cultuur als vorming, als de verzameling van waarden die het ideale menszijn bepalen, de vorm van bestaan waar ieder naar moet streven. Dit is de cultuur waarvan de Grieken in al hun scherpzinnigheid hebben opgemerkt dat zij uitdrukking is van wat we zouden moeten zijn, maar nog niet zijn. Peter Sellars, de opera-regisseur, plaatst zich in deze Griekse traditie wanneer hij in ons tijdschrift Nexus opmerkt: ,,Cultuur is het aanwezig stellen van een niet direct waarneembare werkelijkheid. Cultuur biedt ons een context, een ethisch kader voor onze handelingen. Dankzij de door haar overgeleverde tradities weten we dat we niet alleen zijn, dat alles wat we doen deel is van een bredere context; dat ons waarden zijn overgeleverd, dat onze daden worden gemeten.''

Cultuur als uitdrukking van waarden. Cultuur niet als een bestaand feit, maar als ideaal, dat nog moet worden gerealiseerd, vernieuwd en opnieuw vitaal gemaakt. Wat er wel al is, als een hulpmiddel, zijn de grote culturelewerken die de vorige generaties in verschillende Europese tradities – klassieke oudheid, jodendom, christendom, humanisme – ons hebben nagelaten.

Deze cultuur – en de twintigste eeuw getuigt ervan – is altijd kwetsbaar, kan vergeten worden, genegeerd en zelfs vernietigd worden.

Waarom moet elke samenleving dit erfgoed beschermen en koesteren als haar kostbaarste bezit? Wat heeft het ons te bieden?

In één woord: kennis. Kennis van de muzen.

Iedereen begrijpt dat geen samenleving kan bestaan zonder technologische, medische, economische, juridische kennis en wat al niet meer. Echter een antwoord op de belangrijkste vragen van het leven kunnen deze vormen van kennis ons niet bieden. Voor een antwoord op vragen als: wat heeft wel waarde en wat niet, wat heeft wel betekenis en wat niet, wat moeten we wel doen met ons leven en wat niet, moeten we te rade bij de kennis van de muzen: de klassieke werken van ons culturele erfgoed. En we noemen deze werken klassiek omdat ze de meest volmaakte expressie zijn van wat waardevol en betekenisvol is. Het is door deze kwaliteit dat ze hun benaming klassiek hebben verworven: altijd – ongeacht de tijd waarin ze tot stand zijn gekomen – zullen zij betekenis kunnen bieden en zijn zij de maat, waarmee we kunnen meten wat wel of geen waarde heeft. Het is een kennis die blijft, die niet veroudert. Altijd zullen we te rade kunnen blijven gaan bij Shakespeare en Yourcenar, Bach en Berio, Van Gogh en Warhol, Montaigne en Nietzsche, Andrei Tarkovski en Bill Viola.

Met uitzondering van het leven zelf is er geen kennis die ons meer inzicht kan geven in de lotgevallen van het menselijk bestaan, dan wat literatuur, poëzie, theater ons leren. De kennis van de muzen leert ons kritisch te zijn. Kritisch komt van het Griekse kritein, dat wil zeggen: onderscheiden. Het is de kennis die ons leert te onderscheiden wat wel of niet goed is, wel of niet schoon, wel of niet waar. Zonder de kennis van de muzen geen kritische geesten. Het culturele erfgoed is de kritische weegschaal waarop wij, ons leven, onze maatschappij, worden gewogen en geoordeeld; het is de spiegel die ons wordt voorgehouden.

Dit klassieke denken over cultuur dreigt te verdwijnen in de Bermuda-driehoek: kapitalisering, mediasering en politisering. Kapitalisering van de geest: er is maar één opperste waarde: geld. Alle andere mogelijke waarden zijn hieraan gerelateerd of ondergeschikt. Immateriële waarden worden geperverteerd. Wat binnen dit perspectief als cultuur geldt, is uitsluitend amusement.

Mediasering van de geest: niets is absoluut, alles vluchtig en relatief, en de voornaamste kwaliteit is kwantiteit. Wat `actueel', `nieuw' en voor de grootst mogelijk groep mensen interessant is, is belangrijk en dat wordt bekendgemaakt.Zo wordt niet inzicht, maar informatie de hoogste vorm van kennis en is het grootste gelijk in pacht bij de publieke opinie.

Politisering van de geest: alle waarden zijn ondergeschikt aan de politieke visie. De kunst is ondergeschikt aan een ideologie. De politiek heeft zich gelukkig ontworsteld aan het totalitaire, maar heeft zich vervolgens onderworpen aan het kapitaal; beheerst door het geld en media, die zelf hun ziel voor geld hebben geruild. Zo worden mens en samenleving niet verheven, maar omlaag gezogen – als schepen in de Bermuda-driehoek.

Deze Bermuda-driehoek, hoewel drastisch in negatieve kracht toegenomen, is niet nieuw. Nietzsche klaagde al in 1872 dat het onderwijs alleen nog maar staat in het teken van het nut, de vorming van mensen die even inzetbaar en inwisselbaar zijn als een courante munt.

Een feit is dat de kloof tussen de alledaagse wereld, de wereld van de politiek en economie, en de wereld van de geest, van de normerende cultuur, steeds groter is geworden. Waarom? Het publiek, en de politiek als haar representant, roept dat de kunst te moeilijk is geworden, en omdat zij moeilijk is, is zij elitair.

De cultuur waar ik een pleidooi voor houd, is inderdaad moeilijk, dat wil zeggen: zij is niet eenduidig, zij verlangt tijd en concentratie om begrepen te worden, ze werpt vragen op en kent geen gemakkelijke antwoorden, ze confronteert ons met waarheden waaraan we liever voorbijgaan. En cultuur herinnert ons er voortdurend aan, dat we ons leven moeten veranderen. Nee, cultuur is niet gemakkelijk, net zo min als het leven zelf.

Alles wat de moeite waard is, is aanvankelijk moeilijk. En de geschiedenis leert ons dat de kunst die weerbarstig is en onmiddellijke waardering weerstaat, de beste kans heeft om stand te houden en te blijven. Hoelang heeft het wel niet geduurd voordat we Mahler konden waarderen? Beethoven werd in zijn tijd te moeilijk gevonden. Het werk van James Joyce werd als onleesbaar beschouwd, Van Gogh werd genegeerd. En de wereld van de geest? Hoe ervaart deze wereld de toegenomen kloof met de maatschappij? Het antwoord is reeds gegeven: het is de Bermuda-driehoek van kapitalisering, mediasering en politisering die de kloof groter maakt, waardoor meer mensen zich afwenden van de normerende cultuur.

Erich Kahler, cultuurhistoricus, een Duits-joodse balling noteerde in 1945: ,,De mens die zijn heil zoekt in amusement, dronken van vergetelheid, beseft niet dat met de grondwaarde van de waarheid ook alle andere waarden teloorgaan, en dat met de menselijke waarden onverhoeds ook de mensenrechten worden meegesleurd, ja dat die innerlijke uitholling van de mens de eerste stap was op weg naar de gruwelen van de moderne slagvelden, de bomkraters, de folter- en gaskamers.''

De paradox is dat juist door de enorme invloed van de Bermuda-driehoek, voor de kwaliteit van onze samenleving meer dan ooit het klassieke denken over cultuur, de kennis van de muzen noodzakelijk is. De democratie heeft deze cultuur nodig. Thomas Mann heeft erop gewezen dat een werkelijke democratie niet zonder een aristocratische inslag kan – een adel niet krachtens geboorte, maar de adel van de geest. En de dichter Joseph Brodsky heeft er bij herhaling op gewezen dat er een verband is tussen wat wij nu noemen `zinloos geweld' en het negeren van de poëzie, dat `de mens die niet in staat is zich behoorlijk uit te spreken, zijn toevlucht neemt tot daden, gewelddadig wordt'. Hij constateert net als Mann: ,,Het doel van de democratie is niet de democratie zelf – dat zou overtollig zijn. Het doel van de democratie is haar verheffing.''

Alle gevestigde machten – in de politiek, media en commerciële wereld – houden graag de idee in stand dat alles wat nu eenmaal zo is, belangrijk is omdat het er is. Dat we het bestaande moeten accepteren. Maar dit is een oude en zeer machtige leugen. We hebben daarom eens te meer een debat nodig over de kwaliteit van die zogenaamde feiten; we hebben de kritische spiegel van de cultuur nodig om deze bestaande wereld te wegen; om neen te kunnen zeggen tegen wat ons als feit wordt opgedrongen.

Aan het begin van het derde millennium is het in Europa meer dan ooit van belang dat de kloof tussen maatschappij en cultuur, tussen de wereld van het leven en de wereld van de geest wordt overbrugd. Maar hoe? En welke taak ligt hier voor de politiek?

Eén ding weten we zeker: wie aan de normerende cultuur, aan de`moeilijke kunst' vraagt zich aan te passen aan de bestaande wereld, vraagt van haar het onmogelijke. Als de cultuur zich aanpast, verloochent zij haar wezen en verdwijnt ze spoorloos in de Bermuda-driehoek. Alle cultuur en alle kunst mogen maar één constante zorg hebben: hun eigen kwaliteit. In de maatschappij zelf vinden we de oorzaken die de kloof met de cultuur zo groot hebben gemaakt. Om de kwaliteit van haar eigen bestaan, zal de maatschappij de confrontatie met de cultuur aan moeten gaan, in haar kritische spiegel durven kijken en, zoals Brodsky het formuleerde: zich verheffen.

Vraag daarom niet aan de muzen zich aan te passen aan de toenemende infantilisering van de maatschappij. Jong zijn is een groot goed, maar het is geen absolute waarde. Cultuur hoeft zich niet te schikken naar wat de jeugd kan begrijpen. Cultuur is er om jongeren in hun leven meer te laten begrijpen. Laat het onderwijs hun weer de kennis van de muzen leren. Vraag niet aan de muzen om ondernemer te zijn. Geld verdienen is niet hun belangrijkste taak. Maar vraag de ondernemer om cultureel te zijn.

Vraag niet aan de muzen de grootste kwantiteit. Elke kunstenaar en denker hoopt op een zo groot mogelijk publiek, maar altijd op hun eigen voorwaarden.

Vraag niet aan de muzen om niet moeilijk te zijn. Jazeker, kunst mag en moet boeien, maar al wat gemakkelijk is zal ons niet verder helpen. Vraag aan de muzen om zich te vernieuwen. Maar niet omdat het nieuwe beter is. We hebben het nieuwe nodig om de traditie levend te houden en omdat elke tijd in haar eigen taal moet spreken.

Vraag aan de muzen om ons andere talen, nog meer werelden, andere culturen en tradities te leren kennen. Laat de muzen ons leren om kosmopoliet te zijn, in plaats van multicultureel. Opdat we onze eigen particulariteit overstijgen, ons richten op universele waarden en onze eigen culturele identiteit als de basis beschouwen voor een verdere geestelijke ontwikkeling in plaats van een versteend gegeven dat zich afsluit voor elk debat, voor elke dialoog. Dat zal ons alleen lukken als we eerst onze eigen taal, onze eigen geschiedenis, onze eigen religie, onze eigen cultuur kennen.

Vraag aan de muzen om ons te verheffen. Vraag aan de politiek om de kennis van de muzen tot de kern van haar beleid te maken. Want zoals we het milieu nodig hebben voor de duurzaamheid van ons fysieke bestaan, zo hebben we de duurzaamheid van de muzen nodig voor ons geestelijk bestaan. De politiek moet de muzen niet dicteren, maar stimuleren.

Vraag om een cultuurpolitiek waarin het wezen van de normerende cultuur en het culturele erfgoed begrepen en verdedigd wordt. Het is het minste wat we uit de geschiedenis van de 20e eeuw moet leren. Deze cultuur, de kennis van de muzen, is een primaire levensbehoefte, omdat het de geest vrijmaakt, de mens en mensen samen, doet leven, de vervlakking voorbij.

`Waar visie ontbreekt, verwildert het volk.' Een lievelingscitaat van Joop den Uyl. Een visie is een vergezicht. Maar zonder top, zonder een culturele top, geen vergezicht, geen inzicht, geen samenhang, geen Nexus.

Drs. R.F.M. Lubbers is voorzitter van het Nexus Instituut. Dit is een bekorte weergave van de toespraak gehouden bij de opening van het theaterfestival. De volledige tekst is te lezen op www.nrc.nl/Doc/.

    • R.F.M. Lubbers