Zegening

Een paar oude vrienden wonen in dit stadje, bijna tegen de Poolse grens. Hij is ingenieur en tegelijk voorganger van een kleine kerkelijke gemeente. Ik kwam hier voor het eerst in de nadagen van de DDR. Tegen etenstijd zag alles blauw van de rook van de kolenfornuizen en de Trabanten die over het plein pruttelden – hetzelfde plein waar ooit de SA marcheerde en waar de gevallen Russen werden begraven. Maar in hun flat sloten mijn vrienden de hele wereld buiten, rondom de tegelkachel, met een goed boek.

Nu heeft hij een eigen bedrijf, en zijn jongste personeelsleden hebben al nauwelijks meer herinneringen aan de DDR. Zijn kerk is nog steeds een kleine, levendige gemeente, maar het aantal jongeren neemt af: allemaal vertrekken ze naar het westen. Pas nog raakte hij zelfs zijn organist kwijt.

Hij neemt me mee naar een huwelijksinzegening. Het kerkzaaltje zit vol. Twee meisjes in gesteven jurken spelen een vioolduet. Het koor zingt. Mijn vriend preekt voor de vuist weg, over ootmoed, berusting en bescheidenheid. Weer zingt het koor. Hij zegent het bruidspaar. De bruidegom, een vierkante blonde jongen in een onhandig zwart pak, is bijna in tranen. Beiden zeggen `ja' en kussen elkaar verlegen. Nu loopt de hele gemeente langs om te feliciteren. Dan gaan ze naar buiten, er wordt rijst gegooid, kinderen treden naar voren om met een versje bloemen aan te bieden, dan strooit de bruidegom wat kleingeld, en iedereen roept `Hoch!'.

Later drinken we koffie. De flat van mijn vrienden ziet eruit als nieuw, en in de keuken staat zelfs een afwasmachine. De tegelkachel is verdwenen.