W.F. Hermans: Mandarijnen op zwavelzuur, 1964

Niets veroudert zo snel als een polemiek vol serieuze argumenten en zwaarwichtige redeneringen, meende Willem Frederik Hermans. In Mandarijnen op zwavelzuur, zijn beruchte verzameling polemische artikelen uit de jaren veertig en vijftig, ontbreken ze dan ook vaak. In plaats van te argumenteren grossiert Hermans in apodictische uitspraken en nog liever steekt hij de draak met zijn slachtoffers. Dan valt er tenminste nog wat te lachen, als de zaak waar het om gaat al lang en breed is vergeten. In Mandarijnen op zwavelzuur, dat in 1964 in eigen beheer moest verschijnen omdat geen uitgever er zijn vingers aan wilde branden, heeft Hermans het pesten verheven tot een kunst, die nog altijd leedvermaak kan bezorgen.

`De lach is de braakneiging waarmee ik bedorven geestelijk voedsel uitstoot', schrijft Hermans in een stuk dat heel toepasselijk `Snerpende kritiek' heet. Een boek dat hem niet bevalt is niets minder dan `een persoonlijke belediging', die uiteraard moet worden gewroken. Want `wie iets leest dat hij slecht vindt, wordt geconfronteerd met een wereld die zijn bestaan ontkent. Met die wereld mag hij niets gemeen hebben, op gevaar zelf ten onder te gaan'. Kennelijk was het hem toch méér ernst dan alle grappen en malle foto's doen vermoeden. De verbetenheid die even vaak de kop op steekt, suggereert dat hier een schrijver aan het woord is die zich uit alle macht en met alle beschikbare middelen verdedigt.

Tegen wie, dat hoeft geen vraag te zijn: de titel van het boek geeft al meteen het antwoord. De uitdrukking `mandarijn' is sindsdien een gevleugeld woord geworden in de Nederlandse letteren. Mandarijnen, dat zijn de literatoren die jury's en commissies bevolken, `hoernalistiek' bedrijven en elkaar de bal toespelen zonder dat daar, zoals Hermans verontwaardigd meldt, `één literaire prestatie tegenover staat'. Daarom worden ze door hem afgeschilderd als epigonen, corrupte sjoemelaars, moralisten en verkapte dominees. Iedereen kan ze moeiteloos herkennen, alleen niet in de spiegel.

Vanwege het portret van de Mandarijn blijft Mandarijnen op zwavelzuur een nogal ongerieflijk boek voor literatoren, ook al is veel in deze `literatuurgeschiedenis' nu inderdaad geschiedenis geworden. Over de katholieke `terreur'-organisatie Idil, over de Derde Weg, over Theun de Vries' propaganda voor het communistische Hongarije, over Hermans' troebele ruzies met ex-vrienden als H.A. Gomperts, Adriaan Morriën en J.B. Charles of over het proces tegen Ik heb altijd gelijk hoeft niemand zich meer druk te maken. Maar dat geldt niet voor Hermans' verdediging van zijn eigen schrijverschap, tenzij men in diens romans en verhalen geen belang meer zou stellen.

Wie dat wèl doet, vindt in Mandarijnen het nodige over Hermans' poëticale opvattingen. Want de Mandarijn die als een veelkoppig monster wordt bestreden, is in de eerste plaats een anti-Hermans. In zijn tegenstanders heeft Hermans in smetteloos zwart-wit het negatief van zichzelf geschilderd. Terwijl zij onder het mom van `hogere waarden' alleen aan hun carrière denken, staat hij als enige pal voor de literatuur, snakkend naar een tijd dat `er geschreven zal worden in de eerste plaats om goed te schrijven en nergens anders om'.

Het klinkt bijna als l'art pour l'art, en de tirades tegen zedenmeesters en wereldverbeteraars lijken dat alleen maar te onderstrepen. Toch ging het hem niet allereerst om een soort estheticisme. Het duidelijkst blijkt dat nog uit de stukken over Ter Braak en Du Perron, de twee voormannen van Forum die postuum het na-oorlogse literaire landschap in Nederland domineerden, toen de jonge Hermans begon te publiceren. Het zijn ook de stukken met de minste grappen en de meeste argumenten, maar – anders dan Hermans vreesde – doet dit niets af aan hun aantrekkingskracht.

Er is vaak gezegd dat Hermans zich tegen Ter Braak en Du Perron richtte, omdat hij hun `epigonen' wilde treffen, de `generatie van de dunne boekjes', die het toen in de literatuur voor het zeggen zou hebben gehad. Ongetwijfeld heeft dat meegespeeld, maar zeker in het geval van Ter Braak kan de authentieke aversie toch moeilijk over het hoofd worden gezien. Als naprater van Nietzsche en als `in wezen een journalist' (`iemand die niet zelf iets ontdekt of schept, maar improviseert op de ontdekkingen of scheppingen van anderen') wordt hij in de hoek getrapt, meedogenloos, ondanks het `grote medelijden' dat Hermans soms voor hem zegt te voelen.

Voor Ter Braak heeft Hermans nauwelijks enige bewondering, voor Du Perron wèl. En dat maakt het stuk waarin hij met hém tracht af te rekenen, het meest adembenemende van het hele boek. Ditmaal moet Hermans, die nergens aan zijn spreekwoordelijke `gelijk' lijkt te twijfelen, niet alleen de ander maar ook zichzelf overwinnen. Het lukt hem tenslotte – door Du Perron te verpletteren met zijn eigen projecties. Het verwijt dat Het land van herkomst elke `leidende gedachte' mist en vol `toevalligheid' en `functieloosheid' zit, gaat immers alleen op als je Hermans' strenge opvatting van de `klassieke roman' deelt.

Niet anders is het met de overige verwijten. Du Perron zou zichzelf te veel hebben gespaard, niemand `pijn' hebben willen doen en te veel naar zijn vrienden hebben geluisterd. `Ik moet er niet aan denken', schrijft Hermans, `wat er van Du Perron had kunnen worden als hij ook deze vrienden van zich af had geschud'. De suggestie is onmiskenbaar: misschien was Du Perron dan wel iemand als Hermans geworden. En dan zou het eigen bestaan pas echt zijn ontkend.

Nu kan Hermans zich laten voorstaan op wat Du Perron niet is geweest: iemand die zichzelf niet spaart, anderen wèl pijn doet, en zijn vrienden of liever ex-vrienden onbarmhartig te lijf gaat. Opnieuw is het eigen schrijverschap in het geding, maar omdat de tegenstander hem zo nabij staat op een heel wat intiemer en dus bedreigender manier dan elders. Hermans is niet principieel tegen de ideeën van Du Perron, hij zoekt evengoed de `vent' in de schrijver, zij het zonder moraal en zonder `honnêteté'.

Onwillekeurig wordt zo iets duidelijk omtrent het waarom van Hermans' agressie. Met l'art pour l'art heeft het niet zo veel te maken, noch met agressie om de agressie. Volgens zijn tegenstanders gaf hij blijk van een `fascistische mentaliteit', maar de agressie keert zich – buiten zijn polemieken – ook tegen hemzelf. Zijn grote angst moet zijn geweest dat mildheid jegens anderen tevens tot mildheid jegens hemzelf zou leiden. Hij cultiveerde zijn `slechte humeur' (zoals het in de novelle Het grote medelijden wordt genoemd) door het op anderen los te laten, omdat hij wist dat daarin de voornaamste bron school van zijn schrijverschap.

Veel meer dan Multatuli, Van Deyssel of Du Perron gedraagt Hermans zich in zijn polemieken als een straatvechter, iemand voor wie alles tot wapen kan dienen, zo lang de tegenstander maar geraakt wordt. Met deze polemische `methode' heeft hij school gemaakt, ironischerwijs vooral in de door hem zo verfoeide `hoernalistiek'. Want juist columnisten als Hugo Brandt Corstius of Theo van Gogh hebben zich ontpopt als Hermans' vlijtigste leerlingen, helaas zonder diens rechtvaardiging in de vorm van briljante romans en verhalen.

Het heeft de meester niet kunnen bekoren. Als `Malle Hugo' werd Brandt Corstius door Hermans in diens laatste – gelijknamige – essaybundel te grazen genomen, terwijl Brandt Corstius en Van Gogh, nota bene over een morele kwestie, met elkáár in de clinch raakten. Alsof zij met alle geweld het gelijk wensten aan te tonen van het (aan Michelangelo ontleende) motto, dat Hermans blijkens een in 1983 verschenen Supplement aan de vierde druk van Mandarijnen op zwavelzuur had willen toevoegen: `Ik huiver bij de gedachte aan de idioten die mijn manier zullen navolgen'.

W.F. Hermans: Mandarijnen op zwavelzuur. De Harmonie. Uitverkocht.