Vrienden van het trillende lint

De Nederlandsche Filmliga, onder aanvoering van Menno ter Braak, heeft schade toegebracht aan de Nederlandse filmcultuur.

,,Hoe aanlokkelijk zou een kleine cinema kunnen zijn, voor een streng geselecteerd publiek, afzijds van het geroezemoes van avond-stad en reclame-pleinen, enkel als samenkomst van kunstzinnigen en artisten, intellectueelen en society!'' Het door Henrik Scholte in 1923 in het studentenblad Propria Cures geschetste ideaal leek vier jaar later onder zijn eigen leiding verwezenlijkt te worden. Samen met onder meer geschiedenisstudent Menno ter Braak en filmtechnicus Joris Ivens als `technisch adviseur' – in hun eigen bewoordingen `vrienden van het trillende lint' – richtte Scholte op 11 mei 1927 in Hotel American in Amsterdam de Filmliga op. In Scholtes dagboek noemt hij als doel ,,het opvoeren van Fransche avant-garde en Russische staatsfilms'', met eventueel als bijprogramma ,,een aardig filmexperiment, een oude Chaplin-film of, als contrast, een verfoeilijke acte uit een Amerikaansche rotfilm.''

Aanleiding vormde het verbod door de burgemeesters van de vier grote steden van de nieuwe Sovjetproductie De moeder van regisseur Vsevolod Poedovkin. Onder auspiciën van de kunstenaarssociëteit De Kring, waar Scholte bestuurder van was, werd in de nacht van 13 op 14 mei 1927 de film twee keer vertoond. Gezien de grote belangstelling werd uitgeweken naar de bovenzaal van café Former aan het Leidseplein, en ondanks de dreigende interventie van een politiecommissaris, die het besloten karakter van de voorstelling niet vertrouwde, genoot een zaal met drie SDAP-wethouders en nagenoeg de hele Amsterdamse kunstwereld van het verboden meesterwerk.

Het is het begin van de Nederlandsche Filmliga, een in 1933 alweer opgeheven beweging die trachtte de filmkunst te bevrijden uit de klauwen van de perfide bioscoop. Tot op de dag van vandaag zou de Filmliga-beweging van grote invloed blijven op het denken over film in Nederland. Maar de feiten over de Filmliga wijken, in details en zelfs in hoofdlijnen, drastisch af van wat een mystificatie moet zijn, zo blijkt uit het door het Filmmuseum geëntameerde, grootscheepse onderzoeksproject Het tegengif van de Filmliga. Dit project resulteert dit najaar in de reconstructie van een groot aantal Liga-voorstellingen in het Filmmuseum en verschillende filmtheaters, een korte film van Céline Linssen over de eerste voorstelling (De nacht van de vier hoeden), en vooral een voorbeeldig boek: Het gaat om de film! Een nieuwe geschiedenis van de Nederlandsche Filmliga 1927-1933.

Schade

De drie auteurs van deze historische revisie komen in meerdere of mindere mate tot de conclusie dat de anti-moderne, de massacultuur bestrijdende filmopvattingen van de Filmliga-ideologen, en met name Ter Braak, schade hebben toegebracht aan de Nederlandse filmcultuur.

Céline Linssen beschrijft in haar hoofdstuk aan de hand van het voor het eerst ontsloten secretariaatsarchief van de Filmliga en het dagboek van Scholte, op anekdotische en ironische wijze hoe de uiteenlopende opvattingen én de ego's van de bestuurders leidden tot verkettering van elkaar en van andersdenkenden, onder wie de bestuurders van afdelingen in het land. Ivens' biograaf Hans Schoots plaatst in het tweede hoofdstuk de Liga-beweging in een historisch licht, en trekt de lijn door naar latere tendensen in de Nederlandse filmkritiek en -cultuur, zoals het Vrije Circuit van de jaren zeventig. Ten slotte schetst de Amerikaanse filmhistoricus Tom Gunning in het kort een internationaal perspectief voor de filmkeuze en de invloed van de Filmliga op de Nederlandse filmproductie, zoals de zogeheten Hollandse documentaire school.

Direct na de opheffing van de Filmliga in 1933 zette filmcriticus L.J. Jordaan onder de titel Zes jaar te wapen de toon voor de heroïsche geschiedschrijving: ,,Wie uwer herinnert zich niet de bewogen nachtelijke bijeenkomst in de Amsterdamsche artisten-sociëteit De Kring, (...) de Eed in de Kaatsbaan der filmrevolutie?'' Linssen toont aan dat Jordaans geheugen hem in de steek laat, omdat hij die nacht niet in Amsterdam was, maar in Parijs. Nog belangrijker: na die ene keer heeft de Filmliga nooit meer De moeder vertoond, omdat de rechten bij een commerciële filmdistributeur lagen die de film in 1929, nadat de Filmkeuring hem alsnog toegelaten had, gewoon in de bioscoop uitbracht, net als al die andere grote Sovjet-films uit de jaren twintig. Op foto's van het bezoek van Poedovkin aan Amsterdam op 10 januari 1929 staat de regisseur meestal tussen Ivens, Ter Braak en Scholte. Distributeur Jo de Wind stond ook op die foto maar werd er consequent af gesneden. Ook filmverhuurder Ed. Pelster, die De moeder aan de Filmliga had geleverd, komt niet altijd op die beroemde foto voor. Nog in 1977 schreef Scholte aan het het tijdschrift Bzzlletin, toen hij de foto aan de redactie stuurde: ,,Het mannetje rechts met aktetas kan beter vervallen.''

Dat mannetje, Pelster, die in 1929 de eerste directeur van De Uitkijk werd en als leider van het Centraal Bureau voor Liga-films in onmin raakte met het Filmligabestuur over zijn te liberale programmeringsbeleid, mocht ook voor de rekening opdraaien toen programma-adviseur Mannus Franken in november 1929 Un chien andalou van Luis Buñuel en Salvador Dalí uit Parijs gehaald had. Scholte, Ter Braak en Jordaan waren het roerend eens dat die film op geen enkele wijze in aanmerking kwam voor vertoning: `een vormlooze kluwen', `physiek afgrijzen' (Scholte) en een `halsstarrig-dogmatisch bijeengeschraapt restje van den surrealistischen maaltijd' (Ter Braak).

Liga-afdelingen die het waagden om de volgens Scholte `thans reeds verbloeide en overleefde Duitsche filmromantiek uit de naoorlogsche jaren' in Murnau's Nosferatu (1922) integraal te vertonen, werd de mantel uitgeveegd. Ook van Abel Gance's Napoléon (1927) mochten slechts enkele akten vertoond worden. `De schaar van Ivens' werd vaak te hulp geroepen om overbodige of mislukt geachte gedeelten uit films te verwijderen. Ook al bleek uit een enquête dat een kleine meerderheid van de leden van de Filmliga voorstellingen van complete films op prijs stelden, dat was niet de bedoeling. Liga-voorstellingen waren immers `studiebijeenkomsten', waar ten koste van alles vermeden diende te worden dat het publiek meegesleept zou worden door het verhaaltje. Zelfs aan de bezoekers van een speciaal door Ter Braak in zijn geboorteplaats Eibergen georganiseerde voorstelling van Liga-films werd een door Pelster gesuggereerde tekenfilm en Jacques Feyders relatief toegankelijke speelfilm Crainquebille niet gegund.

Jeugdzonde

Welke films konden dan wel de goedkeuring wegdragen van de Liga-ideologen? Ter Braak, die zich al in 1930 afkeerde van de filmkunst en die zijn Liga-episode later als een jeugdzonde zou beschouwen, was het strengst in zijn oordeel. Alleen de absolute of abstracte film, een artistieke beeldvlakverdeling en het ritmische spel van de montage konden leiden tot `de essentie van film'. Het grote voorbeeld bleef Walter Ruttmanns Berlin, die Symphonie einer Grossstadt (1927), overigens uitgebracht in Tuschinski, en ondanks bezwaren tegen de dramatiek (`Cinéma-pur in de zin van film-zonder-meer is Dreyer's werk niet'), moest hij ook schoorvoetend toegeven dat La passion de Jeanne d'Arc, de openingsfilm van de Amsterdamse bioscoop De Uitkijk, een meesterwerk was.

Scholte en Jordaan waren wat milder in hun oordeel, maar allen meenden dat de Filmliga een belangrijke bijdrage leverde aan de lineaire ontwikkeling van de filmkunst, die alleen maar aan belang kon winnen in de loop der jaren. Om dit vooruitgangsoptimisme te staven werd regelmatig een zogeheten `vooroorlogse film' vertoond, om te laten zien uit welke primitieve diepten de cinema opgerezen was. Het gloedvolle betoog waarmee Scholte in 1933 de opheffing van de Filmliga bepleitte, aangezien het doel volbracht was, paste weliswaar in deze manier van denken, maar niemand kon werkelijk geloofd hebben dat in zo korte tijd het eindpunt van de filmgeschiedenis bereikt was. De werkelijke reden was dat onoverbrugbare tegenstellingen tussen Scholte, Jordaan, Ter Braak en Ivens, van wie de laatste twee bovendien andere bezigheden hadden gevonden dan de opvoeding van het filmpubliek, voortzetting onmogelijk maakten.

De betekenis van de revisie van de Liga-geschiedenis door vooral Linssen en Schoots reikt verder dan de ontmaskering van vier ijdele mannen met hoeden. De dogmatische en bevoogdende benadering van film, die in Nederland veel verder ging dan in andere landen waar tegelijkertijd filmclubs werden opgericht, heeft grote gevolgen gehad. Schoots noemt de tot ver in de jaren zestig door criticus A. van Domburg gedomineerde dogmatische filmkritiek, de herontdekking van de Filmliga in de jaren zeventig door het Vrije Circuit en het filmblad Skrien, en de negatieve invloed op de totstandkoming van de speelfilmproductie in Nederland. Schoots wijst erop dat de in Nederland overdreven grote angst voor film als bederver van de smaak van de massa niet alleen een kwestie is van een calvinistische traditie, maar ook van een relatief late industrialisering.

Aan de andere kant moet ook hij toegeven dat de totstandkoming van een onafhankelijke filmkritiek en het idee dat film kunst kan zijn, veel te danken heeft aan de Filmliga. Sinds de opkomst van het filmblad Skoop in de jaren zestig en een voorzichtig begin van een filmindustrie, bestaan er tenminste twee polen in het Nederlands denken over film. Geen zinnig mens zal meer ontkennen dat juist het massacultuur-aspect een onmisbaar element is voor film. De kans bestaat dat de slinger aan het einde van de jaren negentig doorslaat naar een standpunt dat net zo dogmatisch zou zijn als dat wat door de Filmliga werd ingenomen, namelijk dat alleen commerciële, op het brede publiek gerichte films recht van bestaan hebben.

Als er een ding te leren valt uit de hele geschiedenis, dan is het dat extreme opvattingen goed gedijen in het dorre Nederlandse filmlandschap. Aan beide zijden geven scherpslijpers de toon aan: enerzijds de verdedigers van wat tot voor kort nog `de cinematografische samenzwering' heette, en anderzijds degenen die geloven dat alleen op een breed publiek gerichte films met een traditionele scenarioconstructie recht van bestaan hebben. De helden uit de Filmliga-geschiedenis zijn de schipperaars, Ed. Pelster bijvoorbeeld, enMannus Franken, of de Rotterdamse afdelingsvoorzitter Johan Huijts, die probeerden een publiek te vinden voor films en daartoe eventueel wel wat water bij de wijn wilden doen. Ook die schipperaars zijn in de huidige filmcultuur gelukkig nog te vinden.

`Het gaat om de film! Een nieuwe geschiedenis van de Nederlandsche Filmliga 1927-1933.' Door Céline Linssen, Hans Schoots en Tom Gunning. Uitg. Bas Lubberhuizen/Filmmuseum. 320 p. Prijs: ƒ54,50.

Vijftien reconstructies van Filmligaprogramma's zijn t/m 3/10 dagelijks te zien in het Filmmuseum, Amsterdam en t/m 26/4/2000 in filmtheaters in Arnhem, Breda, Den Haag, Deventer, Eindhoven, Groningen, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam en Utrecht. Informatie: tel. 020-5891400.

De film `De nacht van de vier hoeden' is vanaf 9/9 te zien in het voorprogramma van `Inquiétude', onder meer in het Filmmuseum, en in verschillende Filmligaprogramma's.

Het Nederlands Filmfestival wijdt op 29 september een studiedag aan de Filmliga in 't Hoogt, Utrecht.