Vakkundig uitgeweend verdriet

Ontelbaar zijn zo langzamerhand de romans waarin de held tijdelijk uit zijn gewone doen wordt gehaald om eens ernstig over zichzelf en zijn leven te kunnen nadenken. Eilanden, ondergesneeuwde bergdorpen, verweg gelegen vakantie-huisjes – de literatuur wemelt ervan. En steeds gebeurt in dat al dan niet gezochte vacuüm iets dat de zaak een beslissende wending geeft.

Is de held een oudere man, dan krijgt hij iets met een jong meisje; gaat het om een vrouw, dan staat er een wat oudere man paraat, zij het helaas nooit dezelfde als in de romans met een mannelijke hoofdpersoon. Een soort katharsis is doorgaans het gevolg en daarna kan men het leven weer aan. Het gegeven is zo'n levensgroot cliché geworden, dat de romans waaraan het ten grondslag ligt welhaast een apart genre zijn gaan vormen.

Willen genres de moeite waard blijven, dan dient er gevarieerd te worden. Nu eens niet naar een eiland, ondergesneeuwd bergdorp of verweg gelegen vakantiehuisje. Wat dit betreft valt Rascha Peper in haar kleine roman Dooi weinig te verwijten. Haar held zit met zijn woonboot vastgevroren in het IJsselmeer, overvallen door de vorst tijdens een tochtje om de nieuwe motor uit te testen. Weliswaar ligt de boot naast een eiland, maar de omstandigheden zijn zo uitzonderlijk dat je dit graag door de vingers ziet. In bijna alle andere opzichten daarentegen beantwoordt haar roman moeiteloos aan het bekende patroon.

Ruben Saarloos is een 58-jarige vertaler, voorzien van een `ouwe misantropenkop' en van problemen met de `emoties'. Voor alle duidelijkheid heet zijn boot de `Harnasman'. Deze Ruben (tijdelijk zonder `Saar', want vrouw Ina heeft al de wijk genomen naar het vasteland) heeft zich afgegrendeld, van binnen en van buiten. Zijn oude liefde voor de literatuur is hij kwijtgeraakt, en nu vertaalt hij nog alleen boeken voor het geld. De rest van de wereld begroet hij bij voorkeur met machteloos gemopper. Slechts de boot, zijn `harnas', bemint hij nog met onverminderde hartstocht. Een betere omgeving dan het ijs, lijkt voor deze `bevroren' ziel dus nauwelijks denkbaar.

Maar dan komt het meisje, ditmaal in de gedaante van een jonge, roodharige schaatster, die kennelijk geen last heeft van de inmiddels ingezette dooi. Bente Nerwanen blijkt zij te heten, een vreemde naam die achteraf niet minder symbolisch uitpakt dan de `Harnasman' of dan de kraaien, die na haar eerste bezoekje op Rubens boot neerstrijken.

Bij Edgar Allan Poe is het een raaf die de held van het gelijknamige gedicht laat weten dat hij zijn Lenore `never more' zal terugzien. Rascha Peper heeft bij Poe of n'importe welke andere romanticus geleend, teneinde haar Ruben een minder desperate boodschap mee te geven. Ook hij zal zijn Bente nooit meer terugzien, maar hun drie ontmoetingen zijn voldoende om zijn kleurloze bestaan wat op te fleuren.

Geheimzinnig doet Peper daar niet over. En dan doel ik niet op het feit dat de twee in het bootje op het ijs met elkaar naar bed gaan, want dat zij deze eindelijk door de verliefdheid ontdooide `hork en izegrim' graag gegund, maar op het verhaal over een `kleurendief' dat Ruben zijn jonge neefje placht voor te lezen, en op het neurologisch onderzoek naar de menselijke pupil waarbij Bente zegt betrokken te zijn.

Beide zaken komen samen in de volgende overpeinzing van Ruben naar aanleiding van de monochrome ijsvlakte om hem heen: `Best mogelijk dat deze prikkelloosheid tot geestelijke vervlakking en somberheid leidde. Dat de geest kleur, fleur en beweging in de buitenwereld nodig had om levendig te blijven en dat het gebrek daaraan hem de laatste weken zo suf en afgestompt gemaakt had. Legden die neurologen geen verband tussen pupilverwijding en Alzheimer? Misschien bestond het omgekeerde effect dan ook wel: kreeg het oog geen prikkels, dan sukkelde het brein vanzelf in slaap'.

Bij nader inzien blijkt de afstomping van Ruben wel wat dieper te zitten. Het ijs is niet meer dan een symbool. In werkelijkheid worstelt hij met een te laat besefte jeugdliefde en – vooral – met zijn vader, een man die zijn gezin had verwaarloosd en tot zijn vroege dood vergeefs op zoek was geweest naar de coelacanth, een geheimzinnige prehistorische vis, waarover Ruben toevallig juist iets leest in het ichtyologisch boekwerk dat hij aan het vertalen is. In zijn dromen vloeien (of, om in stijl te blijven, smelten) vis en geliefde ineen, als tastbare symbolen van `het onbenoembare (...), datgene wat zich een levenlang verborgen houdt, zich hoogstens af en toe laat vermoeden', en dat nu, in Bente's armen, voor Ruben even een concrete ervaring wordt.

Rubens verhouding tot zijn vader herinnert in de verte aan Hermans' Nooit meer slapen, waarin het vergeefse speurwerk door de zoon wordt opgeknapt. Maar de moraal van Peper wijkt af van die van onze betreurde nationale izegrim: bij zulke in wezen romantische queestes gaat het niet om het resultaat, maar om de inzet. Díe maakt het leven de moeite waard, ongeacht de uitkomst. Zodra Ruben dat heeft ingezien, kan hij alsnog vrede sluiten met zijn gestorven papa, en in een tranenvloed volgt de katharsis. Het verdriet om alle verloren geliefden wordt royaal uitgeweend, zodat weldra de verzoening kan komen met een bestaan waarin leven en dood, Eros en Thanatos niet van elkaar te scheiden zijn.

Voor schokkende verrassingen hoeft niemand bang te zijn. Weliswaar roept Peper het bovennatuurlijke (waarvan ik de details niet zal verraden) te hulp om háár variatie van het genre rond te krijgen, maar alles wordt zo grondig voorbereid en uitgelegd, via metafoor, symboliek en zonodig directe explicatie, dat elke docent Nederlands er met een gerust hart zijn onschuldige leerlingen op los kan laten om hun de eerste beginselen van het interpreteren bij te brengen. Rascha Peper verstaat haar vak.

Het merkwaardige is alleen dat zij er, ondanks alle clichés en doorzichtigheden, toch in slaagt van haar knorrige Ruben een levend en zelfs aandoenlijk personage te maken. Haar literaire confectie past perfect. Met als gevolg dat ook de docent aan Dooi enig plezier zal kunnen beleven, al is het maar omdat hij ook wel eens zo'n roodharig meisje zou willen tegenkomen op zijn kleurloos levenspad.

Rascha Peper: Dooi.

L.J. Veen, 158 blz. ƒ32,90