Paperbacks

Mannen met een kater van John Burnside

Iedere dag komen Rob, Allen, Sconnie en Junior bij elkaar in de Mercy Bar om te drinken. Allemaal zijn ze in de veertig en allemaal hebben ze niets beters te doen: de Mercy is het enige wat hun leven regelmaat geeft. Ooit hadden ze baantjes, de hoop op iets beters, in ieder geval iets anders dan wat hun vaders deden. Ooit waren ze verliefd - maar niet op de vrouwen waarmee ze uiteindelijk trouwden. Hun gespreksstof loopt uiteen van countrysongs tot macabere krantenberichten, en natuurlijk de fysieke bijverschijnselen van het drinken, van `pissing blood' tot rare kleuren braaksel. Want `anything that mattered, anything that really mattered, couldn't be talked about in words'. Ze doen er alles aan om maar niet thuis te hoeven zijn, en bovenal, om niet zichzelf te hoeven zijn, en daarom drinken ze.

The Mercy Boys is de tweede roman van de Schotse dichter en schrijver John Burnside (1955), die in zijn griezelige debuut The Dumb House al een overtuigende psychopaat neerzette. Ook hier excelleert hij in het portretteren van in meer of mindere mate gestoorde mannen, en vooral jeugdherinneringen, dromen, en dronken hallucinaties beschrijft hij op fenomenale wijze. Maar de roman als geheel lijdt enigszins onder een wat al te spectaculair einde. Dat Rob zich ontpopt als een psychopaat was te verwachten, dat Sconnie het slachtoffer wordt van een vreemde cult is weer te veel van het goede. Want dat het slecht met de mannen zou aflopen was vanaf het begin wel duidelijk. `Look at men', zegt Rob, `I mean. Look at us. The whole world is about men being fucked up.' Burnsides roman is een virtuoze uitwerking van die gedachte.

John Burnside: The Mercy Boys. Cape, 265 blz. ca. ƒ42,80. De Nederlandse vertaling verschijnt in oktober bij Vassallucci.

Met Dalrymple door India

Het tijdperk van Kali is in de Indiase kosmologie het tijdperk van desintegratie, van oorlog, corruptie en duisternis; het laatste tijdperk voordat de wereld wordt vernietigd in vuur en de cyclus weer opnieuw begint. Gebeden worden niet meer verhoord: de goden Shiva en Vishnu slapen. The Age of Kali, het vierde reisboek van de Schotse schrijver William Dalrymple, ontleent zijn titel aan dit tijdperk: tijdens zijn reizen in India kreeg Dalrymple, die er zo'n tien jaar doorbracht, steeds weer te horen dat het land in de greep was van deze `Kali Yug'. Veel van de twintig reportages in de bundel lijken dat ook te bevestigen, alhoewel Dalrymple zelf deze pessimistische visie niet deelt.

De stukken in The Age of Kali bestrijken alle uithoeken en uitwassen van het subcontinent, van de totale anarchie en corrruptie in Bihar tot het aartsconservatieve Rajastan, van het relatief rustige en welvarende zuiden, waar computerbedrijven booming business zijn, tot opiumsmokkelaars bij de Khyberpas. Dalrymple interviewt Imran Khan en Benazir Bhutto, maar trekt ook een maand lang op met Tamil Tijgers. Hij schetst de huiveringwekkende intolerantie van hindoe-fundamentalisten aan de hand van Rajmata Scindia, de zeer populaire voorvechtster van de rechts-nationalistische Hindoepartij BJP. De Rajmata blijkt een schattig omaatje dat Dalrymple uitnodigt op de thee, allerbeminnelijkst keuvelend, maar een paar maanden later in Ayodha letterlijk staat te juichen bij de verwoesting van de beroemde moskee en het afslachten van de moslims. Een ander uiterste is de jetset in Bollywood, waar Dalrymple tot zijn verbazing merkt dat iedereen er echt zo praat als in de pulpboeken van de glamoureuze schrijfster die hem rondleidt.

The Age of Kali volgt een vast Dalrymple-patroon: eigen waarnemingen worden aangevuld met met analyses en achtergrondinformatie, en uit alles spreken zijn kenmerkende eruditie, humor en lef. Dalrymple, die voor zijn drie eerdere boeken tal van prijzen in ontvangst mocht nemen en vorig jaar tot Fellow van de Royal Society of Literature werd benoemd, bewijst hier wederom tot de allerbeste hedendaagse reisschrijvers te behoren.

William Dalrymple: The Age of Kali. Indian Travels and Encounters. Flamingo, 385 blz. ca. ƒ38,65

Jhumpa Lahiri over ontheemden

Terwijl in Groot-Brittannië schrijvers van Indiase of Pakistaanse afkomst een complete literaire traditie hebben gevestigd van romans over botsende culturen, heeft deze minderheidsgroep in de Verenigde Staten nagenoeg niets van zich laten horen. Daar lijkt nu verandering in te komen met Interpreter of Maladies van de Bengaals-Amerikaanse schrijfster Jhumpa Lahiri (1967). Lahiri werd onlangs in The New Yorker genoemd als een van de twintig `beste Amerikaanse schrijvers voor de 21ste eeuw. In haar eerste verhalenbundel geeft ze een stem aan de ervaringen van ontheemde Indiërs in de Verenigde Staten, en Indiase Amerikanen terug in hun `moederland'.

Het mooie titelverhaal, gesitueerd in India, beschrijft hoe de taxichauffeur Mr. Kapasi een Amerikaanse familie meeneemt op een dagtrip naar een tempel. De familie is duidelijk van Indiase afkomst, maar Mr. Kapasi observeert ze vol verbazing: `Mr. and Mrs. Das behaved like an older brother and sister, not parents. It seemed that they were in charge of the children only for the day; it was hard to believe they were regularly responsible for anything other than themselves'. Hij ziet hun informele vriendelijkheid aan voor oprechte belangstelling, en vertelt ze trots over zijn leven. Eigenlijk is hij een tolk bij een dokter, een `interpreter of maladies', een verantwoordelijke positie. Mrs. Das grijpt dit gegeven aan om hem stiekem om een `interpretatie' te vragen over haar slechte huwelijk. Maar wanneer hij een ongewenst antwoord geeft, laat ze merken dat hij in haar ogen helemaal niets betekent.

Geslaagd zijn ook `When Mr. Pirzada Came to Dine', over een Bengaalse balling in 1971 die de oorlog in zijn land alleen op de tv kan volgen, en `Mrs. Sen's', over een door heimwee verteerde echtgenote van een professor. Mrs. Sen klampt zich vast aan maaltijden van verse vis en komt, in een poging die te bemachtigen, in een auto-ongeluk terecht. Lahiri schrijft tamelijk conventionele, wat klassiek aandoende verhalen die haar uitverkiezing door de New Yorker misschien niet helemaal rechtvaardigen, maar haar subtiele observaties en precieze, elegante taalgebruik beloven méér voor de 21ste eeuw.

Jhumpa Lahiri: Interpreter of Maladies. Stories of Bengal, Boston and Beyond. Flamingo, 198 blz. ca. ƒ34,50. De Nederlandse vertaling, `Een tijdelijk ongemak', verschijnt begin november bij uitgeverij De Harmonie.

Suzanne Berne verkent suburbia

De Britse Orange Prize voor literatuur geschreven door vrouwen ging dit jaar naar de debuutroman van de vrijwel onbekende Amerikaanse schrijfster Suzanne Berne. A Crime in the Neighborhood, dat al is vergeleken met To Kill a Mocking Bird, beschrijft hoe Amerika zijn onschuld verloor in de Nixon-jaren, aan de hand van de belevenissen van de tienjarige Marsha.

Het is 1972, en Marsha woont met haar familie in de rustige buitenwijk Spring Hill van Washington D.C. Terwijl het hele gezin naar Nixons bezoek aan China op de tv zit te kijken, ontdekt Marsha's moeder door een kleine verspreking dat haar man een verhouding heeft met haar favoriete zus. Wanneer hij niet veel later het gezin daadwerkelijk verlaat, stort Marsha's wereld in. Dan wordt in de bosjes bij het winkelcentrum het gemolesteerde lijk gevonden van een jongetje uit de buurt, en tegelijkertijd verschijnen de eerste berichten over de Watergate-inbraak. In de belevingswereld van Marsha gaan de verschillende zaken allemaal met elkaar samenhangen. Wanneer haar moeder aarzelend vriendschap sluit met de nieuwe buurman Mr. Green, een wat mensenschuwe veertiger, wordt het Marsha te veel. Ze vertelt tegen iedereen die het wil horen dat Mr Green een viezerik is, en de verontruste buurtbewoners, die al een burgerwacht hadden opgericht, zijn maar al te bereid haar te geloven.

Het verhaal wordt gedaan door een volwassen, terugblikkende Marsha, wat zo nu en dan leidt tot een hinderlijk `voice-over' effect, maar ook tot prachtige passages wanneer ze in de huid kruipt van haar tienjarige zelf. Maar de roman geeft bovenal een mooi beeld van de tijd dat de suburbs nog de suburbs waren, bevolkt door gezinnetjes in bungalows met pasgemaaide gazons en macramé plantenhangers, met Walter Cronkite op CBS, barbecues en Kool-Aid limonade op hete zomerdagen, en liedjes van de Jackson Five op de radio; en hoe dit beschermde Amerika binnen de kortste keren veranderde in een plek waar iedereen `felt guilty for ever having felt secure'.

Suzanne Berne: A Crime in the Neighborhood. Penguin, 247 blz. ca. ƒ20,95