Onbekommerd machismo

Minder dan anderhalf jaar geleden viel Moses Isegawa met een klap het Nederlandse literaire landschap binnen. Zijn debuut Abessijnse kronieken, het verhaal van een man die zich met de flair der wanhoop een weg baant in een wereld van dictatuur en anarchie, was een episch en stilistisch bravourestuk én een instant verkoopsucces. De naar Beverwijk geëmigreerde Oegandees schreef in het Engels, maar pronkte met de invloeden van Jan Cremer en Jan Wolkers. Hij schilderde een zwart beeld van het Oeganda van de jaren zeventig, maar ook van het Holland waarmee de berooide Afrikaanse migrant te maken krijgt. Zijn populariteit in Nederland is inmiddels zo groot, dat hij onlangs in het NOS Journaal liefst vijf minuten de tijd kreeg om zijn nieuwe boek te promoten.

Isegawa's tweede roman is opnieuw on-Nederlands dik en gaat over de jaren zeventig in Oeganda – de periode van de dictatuur van Idi Amin die door hem eerder werd gekarakteriseerd als `drieduizendtien dagen van onderdrukking, moord, geheimzinnige verdwijningen, ontvoeringen en buitenissigheden in folterkamers.' Toch is Slangenkuil een heel ander boek dan Abessijnse kronieken. Allereerst is het proza minder barok en afwisselend – iets wat voor een deel zou kunnen liggen aan het feit dat het oorspronkelijke Engels door een ander vertaald is. En bovendien koos Isegawa dit keer niet voor het perspectief van één hoofdpersoon, die gevolgd wordt op een odyssee langs de waanzin, maar voor een symfonie van stemmen. Tezamen geven ze een beeld van de van testosteron en adrenaline doortrokken paleiscultuur van Idi Amin, een wereld waarin de stoere mannen aan de macht bijna lijken te genieten van het levensgevaar dat hen elke dag bedreigt. `Op ons', zegt een hoge piet van het ministerie van Energie als hij een toost uitbrengt, `op het gevaar, op de macht.'

Bat Katanga heet deze onbekommerde macho. Zijn klim naar de top beheerst het begin van Slangenkuil, zijn fall from grace is de kurk waarop het verhaal drijft, zijn rehabilitatie na de verdrijving van Amin vormt een logisch slot. Want Bat is een overlever. Geboren in het zuiden van Oeganda, maar geschoold in het Engelse Cambridge, paart hij een westerse opvoeding aan een Afrikaanse nietsontziendheid – ideale kwalificaties voor iemand die wil toetreden tot de klasse van `de nieuwe vorsten, de koningen en prinsen' van de militaire dictatuur. Wat niet wil zeggen dat het hem makkelijk wordt gemaakt. Bat houdt zich aan de overlevingsregels die hem bij terugkeer in Oeganda zijn voorgehouden: `Bemoei je niet met politiek. Zet geen grote mond op over democratie en mensenrechten. Hou altijd je paspoort bij de hand.' Maar de man die hem aanneemt, generaal Bazookah, is al gauw een geduchte tegenstander, die Bat laat schaduwen door een spionne, om hem uiteindelijk in de kerkers van het ministerie te laten verdwijnen.

De peetvaderlijke generaal Bazookah is slechts een van de belichamingen van de anarchie en de wreedheid in Oeganda anno 1977. Rondom Bat zwermt een aantal even abjecte personages: zijn eerste Oegandese vrouw die haar opvolgster op een gruwelijke manier laat vermoorden, een broer die in het wilde weg met bommen gooit, een Britse avonturier die met moord en doodslag fabelachtige rijkdommen vergaart, en natuurlijk Idi Amin zelf, een man over wie zulke krankzinnige verhalen worden verteld dat de absurdistische details van Isegawa er nog best bij kunnen. Al vraag je je wel af of het waar is dat Amin een bankbiljet lanceerde `met een afbeelding waarop hij op Europa poepte', of dat hij biografische films maakte waarin hij zichzelf liet optreden als zijn grote voorbeeld Mussolini.

Anders dan Abessijnse kronieken – dat grote thema's aansneed als religieus fanatisme, de betrekkelijkheid van de westerse beschaving en de vernietiging van het Afrikaanse dorpsleven – is Slangenkuil beperkt van opzet. De kernvraag is: Hoe houdt een mens zich staande in tijden van tirannie en de moraal is nogal simpel. `Behoorde hij tot de goede, de normale mensen?', vraagt Bat zich af. `Of was hij even slecht als degenen die met wapens zwaaiden?' Het antwoord is ja, natuurlijk, en Slangenkuil is niet bepaald het eerste boek dat zich bezighoudt met de klassieke paradox van de kampcommandant: hoe kan iemand die lief is voor zijn vrouw en kinderen zo onuitsprekelijk wreed zijn tegenover zijn gevangenen?

Verrassen doet Isegawa in zijn nieuwe roman niet, maar als schrijver stelt hij niet teleur. Zijn zinnen vol retoriek en heftige uithalen zijn nog even gespierd als in Abessijnse kronieken, zijn vergelijkingen zijn scherp en de beelden die hij oproept zijn plastisch. `Onmin bij hoge pieten was net zo gewoon als vlooien bij een hond', luidt een van de vele oneliners in Slangenkuil. En: `In de deuropening stond Victoria, met haar nachthemd tegen haar huid en haar lichaam in schaduw geëtst.' Nog opvallender zijn de passages waarin Isegawa bewijst dat hij ook met compassie over de liefde kan schrijven, of het nu het ochtendritueel is van Bat en zijn tweede vrouw Babit, of de sensuele overgave waarmee Babit een bad neemt in afwachting van Bats thuiskomst.

Keer op keer worden in Slangenkuil de verschillen tussen Afrika en de westerse wereld onderstreept. Bijvoorbeeld in geschiedopvatting. Als Bat tijdens een sentimental journey door Engeland, logeert in een door de IRA gebombardeerd hotel dat binnen een mum van tijd opgekalefaterd is, constateert hij: `Zo deden ze dat in West-Europa: tragedie uitgewist en afgevoerd naar bibliotheekmappen waar de scherpte eraf ging en ze later als een schim weer van de pagina kwam, als bedenksel van de chroniqueur.' In Oeganda doen ze dat heel anders, begrijpen we, en in dat opzicht is Isegawa een kind van zijn geboorteland. De tragedies van de geschiedenis worden door hem in volle scherpte geprojecteerd, in een tempo dat de verveling nauwelijks kans biedt. Dat daarbij de psychologische diepgang enigszins in het gedrang komt, is de prijs die de lezer zal moeten betalen. Wie daartoe niet bereid is, kan in plaats van Slangenkuil beter een andere recent verschenen roman lezen over een man die vuile handen maakt tijdens het schrikbewind van Idi Amin: De laatste koning van Schotland van de jonge Engelse schrijver Giles Foden.

Moses Isegawa: Slangenkuil (Cobra's Impunity). Uit het Engels vertaald door Rien Verhoef.

De Bezige Bij, 334 blz. ƒ39,90