Niet doodgaan, Murray

TANGER. Hoewel het land officieel nog in de rouw was, trad in de eetzaal van hotel El Minzah een clandestiene buikdanseres op, voor toeristen en rijke Marokkanen.

Men had mij een tafeltje vlakbij het podium gegeven, zodat de voeten van de buikdanseres regelmatig over mijn eten vlogen.

Het waren mooie voeten.

Drie muzikanten keken stoïcijns naar het schouwspel en ook de gasten interesseerden zich meer voor elkaar en de gerechten dan voor de clandestiene buikdanseres die toch werkelijk wonderbaarlijke dingen met haar lichaam deed. Alleen een echtpaar, op leeftijd, staarde hand in hand de buikdanseres aan.

Toen ze was uitgedanst en een plichtmatig applausje binnen enkele seconden uitstierf, knikte het echtpaar mij vriendelijk toe, alsof ze in mij een medeplichtige herkenden.

Plannen om met de boot de straat van Gibraltar over te steken, had ik opgegeven.

Ik wachtte op geld. Telefonisch had ik mijn bank in New York verzocht per postwissel wat geld naar Tanger te sturen.

Mijn creditcards werkten niet meer. Van de ene dag op de ander. Waarom is onbelangrijk, cruciaal is dat ze het niet meer deden.

Het voelde een beetje alsof je 's ochtends wakker wordt en al je tanden naast je op het kussen vindt.

Het hotel had ik hierover natuurlijk niets verteld. Je moet mensen niet alles voorkauwen, je moet ze de gelegenheid bieden zelf cruciale informatie te verzamelen.

's Ochtends wandelde ik naar het postkantoor en als ik dan hoorde dat het geld nog niet binnen was, ging ik maar weer op een van de vele terrasjes van Tanger zitten en dronk pepermuntthee. Marokko had me op een dieet van pepermuntthee gezet.

,,Neem me niet kwalijk,'' zei de meneer die me net een paar keer had toegeknikt, ,,wat een prachtige stad, is het niet?'' Hij had een Engels accent en keek me verwachtingsvol aan. Zijn linnen pak zat onder de kreukels en ik hoorde de stem van mijn moeder: ,,Koop geen linnen, dat doe je aan en binnen een uur moet je het weer strijken. Zoiets kunnen ze jou alleen aansmeren.''

,,Ja,'' zei hij en zijn grote hand kroop over de tafel op zoek naar een servet waarmee hij zijn mond voorzichtig depte, alsof die mond een wond was. ,,In Egypte hebben we ook veel buikdansers gezien, maar daar doen ze het heel anders.''

Hij wachtte op antwoord, maar het was geen vraag.

Toen kwam zijn vrouw hem helpen, ze was iets jonger dan hij en had een rond meisjesachtig gezicht, met grote ogen die onschuldig de wereld inkeken.

,,Hoe lang ben je al in Tanger?''

,,Vier dagen,'' zei ik.

Het echtpaar rukte op in de richging van mijn tafel, en ik zag de buikdanseres voorbij glippen, nu gekleed in spijkerbroek en gympen. Zo zag ze er meer dan ooit uit als een clandestiene buikdanseres.

,,Het was onze huwelijksreis,'' zei de vrouw, ,,Egypte. Over twee dagen zijn we precies een jaar getrouwd.''

De grote hand van de man die net nog trillend zijn mond had gedept, kietelde de vrouw nu in haar nek en zij kirde. Er is geen ander woord voor mogelijk, zij was aan het kirren.

,,Betaalt u contant?'', vroeg de gerant in traditioneel Marokkaans gewaad.

,,Ik zet het op de rekening,'' zei ik en lachte.

,,Je drinkt toch wat pepermuntthee met ons mee?'', vroeg de vrouw.

Ik aarzelde. Het leek dat in Tanger al mijn kleine en minder kleine nederlagen zich hadden samengevoegd tot één grote.

,,Eén kopje dan,'' zei ik.

Men zegt dat je je moet verzoenen met je nederlagen, maar mij was dat niet gelukt.

,,Ben je al in de kashba gweest?'', vroeg de man.

In zijn hand lag alweer het servet, klaar om naar zijn mond te worden gebracht. Van bepaalde psychose-medicijnen schijn je te gaan kwijlen.

Ik kwijl ook wel eens, maar dat komt door hevige dronkenschap.

,,Ja,'' zei ik, ,,al een paar keer.''

Het was mijn vaste route, eerst de kashba, dan de boulevard.

Zo rond de schemering verzamelen honderden mensen zich op de boulevard, bijna nooit alleen, altijd in groepjes. Drie vrouwen, twee jongens, een familie, alleen de verkopers en de schoenpoetsers opereren in hun eentje.

Ook ik verliet iedere dag om een uur of zes mijn hotel en daalde af naar de benedenstad om mij te mengen tussen de flaneurs.

Hoe meer je reist hoe minder je ziet, maar hier in Tanger had ik meer gzien dan ooit. Clandestiene buikdanseressen, half-stoute kruiers, licht corrupte politieagenten, quasi-onnozele postbeambten en vooral de flaneurs.

Als ik een poëtica heb, dan kan die worden samengevat als verbaal flaneren.

In Tanger had ik het lichamelijk flaneren herontdekt. Een schijnbaar doelloze tocht van A naar B. Geen reis, en al helemaal geen heroïsche bergbeklimming die eindigt met het planten van een vlag.

Relaties duren drie seconden, alles is kijken en voor de flaneur is kijken bijna altijd genoeg.

Soms volgde ik iemand, maar het was te vol op de boulevard en de gewaden leken teveel op elkaar en al na een paar minuten moest ik het opgeven.

De thee kwam.

,,Wij durven niet naar de kashba,'' zei de vrouw, ,,ze hebben ons gewaarschuwd.''

,,Het is helemaal niet gevaarlijk, maar als jullie willen kunnen we wel eens samen gaan.''

Het was eruit voor ik het wist.

,,Graag,'' zei de vrouw en de man spoog iets in zijn servet. Misschien een blaadje pepermunt.

De vrouw hield zijn hand vast, ik dacht dat ze weer zou gaan kirren, maar ze zei: ,,We kennen elkaar al vanaf mijn zestiende, maar we konden pas verleden jaar trouwen.''

De kreukels in zijn pak werden rivieren.

Overwinningen worden altijd met onzichtbare inkt geschreven, terwijl de nederlagen tatoeages zijn op voorhoofd en wangen, bij sommige mensen ook op buik en billen.

Kamernummers werden uitgewisseld.

Toen was het tijd om elkaar goedenacht te zeggen. Hij heette Murray en haar naam was iets met een `l'.

Op de afgesproken tijd de volgende dag verscheen ik in de hal. Zij stonden er al. Murray had een strohoed op.

,,Daar gaan we dan,'' zei ik. Een vreemdeling die zich vermomd had als gids.

De bank had me beloofd dat het geld er morgen echt zou zijn. Dit was mijn laatste dag in Tanger.

Ze liepen langzaam. Ik was gewend door de steegjes te rennen, alsof ik de weg kende, alsof ik een doel had.

Hoe langzamer ze liepen, hoe meer we werden aangesproken, en hoe meer we werden aangesproken, hoe meer zweet er op het voorhoofd van Murray begon te parelen. En hoe zwaarder hij aan de arm van zijn vrouw ging hangen.

,,Niet zo hard,'' zei de vrouw, ,,hij heeft het aan zijn been, hij was aan het front.''

Nu niet vragen welk front, gewoon je concentreren op de weg.

,,U moet niet met de verkopers in discussie gaan,'' zei ik, ,,gewoon negeren, dat is beter.''

,,Maar dat vind ik zo onbeleefd,'' zei ze.

,,Ik blijf hier even staan,'' zei Murray. ,,Gaan jullie maar, ik haal jullie wel in.''

Hij was blijven staan onder een afdakje van een kraam waar ze huishoudelijke artikelen verkochten.

Murray was lijkbleek.

Ik was bang dat hij aan het doodgaan was en dat ik straks met een dode Murray zou zitten in Tanger, zonder creditcards.

Ik kocht tandpasta, om de moed erin te houden, en dacht, niet doodgaan Murray, niet doodgaan, houd nog even vol, als we straks in het hotel zijn mag je doen wat je wilt, maar nu nog niet Murray.

Ik dacht, de ramp is geen uitzondering, maar regel. De ramp is de grootste gemene deler.

Murray was gaan zitten op een houten kistje.

Doorpraten, dacht ik, aandacht afleiden, tandenborstels kopen.

,,Dit is geen buurt om te flaneren,'' zei ik opgewekt tegen Murray's vrouw, ,,Als we willen flaneren moeten we naar de boulevard.''

De grote handen van Murray wapperden door de lucht, maar ik kon niet zien wat ze zochten.