Leven als een god in Griekenland

Hoewel de Griekse componist Theodorakis in het buitenland opzien baarde door zijn openlijke steun aan Miloševic, heeft hij in eigen land inmiddels de godenstatus bereikt. Hij is voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Vrede.

Honderd vooraanstaande Grieken, onder wie premier Simitis, hebben de componist Mikis Theodorakis voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Vrede, uit te reiken in het jaar 2000. Dit geschiedde tijdens een concert waaraan Griekse, Bulgaarse, Macedonische en Servische musici meewerkten, maar geen Albanese. Theodorakis werd gehuldigd als `strijder voor de vrede op de Balkan', zonder dat men zwaar tilde aan die Albanese lacune.

De meeste Grieken lijken zich niet bewust te zijn van het feit dat Theodorakis' kans op de prijs miniem moet worden geacht. Tijdens de bombardementen op Joegoslavië heeft hij, als bijna al zijn landgenoten, honderd procent partij gekozen voor het orthodoxe broedervolk. Op de televisie verkondigde hij dat vijftig ziekenhuizen met bevolking waren aangevallen en dat men ook mikte op kloosters. ,,Ik maak me zelfs zorgen over de toekomst van het Parthenon.'

Voor de vervolgde Kosovaren toonde hij in het geheel geen mededogen. Dat die het slachtoffer waren van etnische schoonmaak noemde hij een ,,fabeltje'. ,,Pas nu is de etnische schoonmaak begonnen', zei hij toen het Servische leger werd teruggetrokken. In die periode bracht hij nog een `vriendschappelijk' bezoek van anderhalf uur aan president Miloševic, samen met de Atheense advocaat Aléxandros Lykourézos, juridisch raadsman van de Bosnisch-Servische generaal Mladic. Als eerste ondertekende hij de aanklacht tegen de NAVO wegens oorlogsmisdaden die Miloševic bij het Internationale Hof van Justitie in Den Haag had ingediend.

In een vraaggespreek beleed Theodorakis ,,heilige haat voor de Amerikanen, voor alles wat Amerikaans is inclusief de taal'. Zij en hun Europese bondgenoten hadden geen recht om op te treden; ze verdienden een ,,levenslange' straf vanwege de slachtpartijen waaraan ze zich schuldig maakten.

Theodorakis is een impulsief man en laat zich bij zijn opmerkingen – die door de media gedurig aan hem worden onttrokken – geheel door zijn stemmingen leiden. Enigerlei lijn in zijn betogen wordt niet nagestreefd. Zo hoorden we de man die tientallen jaren heeft geijverd voor Grieks-Turkse vriendschap en uitwisseling tijdens de Joegoslavische crisis plotseling debatteren: ,,De Serviërs kunnen onze vijanden niet zijn, dat zijn de Turken.' Maar na de aardbeving staat hij alweer op de bres voor hulp aan dit nabuurvolk (,,Dat zouden zij voor ons ook doen'). En er zijn concerten in voorbereiding in Athene en Istanbul met medewerking van Theodorakis' Turkse evenknie Zülfü Livaneli.

Door nog iets anders laat de componist zich leiden: hij heeft een haarfijn gevoel voor wat de Grieken willen zien en horen. Dat blijkt niet alleen uit zijn prachtige liederen, maar ook uit de rest van zijn openbaar optreden. Kort voor de Joegoslavische crisis bevrijdde hij de Grieken van hun schuldgevoel inzake de uitlevering van de Koerdenleider Öcalan, door in de aanval te gaan tegen onbesuisde anti-Griekse beschuldigingen van drie van diens medewerkers. Het betuigen van solidariteit met het gebombardeerde Servische volk kwam ook helemaal tegemoet aan de gevoelens van de Grieken, die eenvoudig niet toekwamen aan informatie over de Kosovaren.

Men moet, om Theodorakis' optreden van dit jaar te plaatsen, weten dat hij zich jarenlang door zijn eigen Grieken vergeten voelde. Naarmate hij meer faam kreeg in de rest van de wereld, leken de Grieken een beetje op hem uitgekeken en uitgehoord. Op de radio werd hij nauwelijks meer gespeeld. En hij vond dit verschrikkelijk. ,,Ik wil mijn Grieken niet verliezen', zei hij, en: ,,Ik voel me als een tanker in het meer van Jánnina' (een klein meer in Griekenland).

Wat zich deze zomer heeft voorgedaan, moet hij als een wonder hebben gevoeld. Zoals elke avond was er wel een concert waarop hij werd gespeeld en geëerd. Oude werken zoals het schitterende `Lied van de Dode Broer' (op de burgeroorlog) werden opnieuw opgevoerd. Zijn oratorium `Axion Esti' weerklonk overal. En wat voor hem het belangrijkste was: de Grieken bleken zijn liederen nog allemaal te kennen, ook de jongeren die ze ergens in hun hart hadden opgeslagen.

Theodorakis heeft nu aangekondigd dat de première van zijn vierde opera `Antigoné' in oktober zijn laatste optreden zal zijn. Maar ook dit wordt door velen in twijfel getrokken. Sommigen zien in hem zelfs de komende president van de republiek, voor het geval de algemeen gerespecteerde Stefanopoulos (73) volgend jaar geen tweede termijn aangaat. In ieder geval heeft hij deze zomer zowat de vergoddelijking bereikt. Hij is de politiek verre ontstegen. In zijn hart weet hij ook wel dat hij die Nobelprijs niet krijgt. ,,Maar de liefde van de Grieken die ik deze zomer heb gevoeld, is mij meer waard dan duizend Nobelprijzen'.

In het artikel Leven als een god in Griekenland (in de krant van vrijdag 3 september, pagina 5) staat dat de Atheense advocaat Alexandros Lykourezos een aanklacht ondertekende tegen de NAVO die president Milosevic bij het Internationale Hof van Justitie in Den Haag ingediend. Dit is onjuist. Lykourezos diende zelf in mei een klacht in tegen de NAVO bij het Joegoslavie-tribunaal, eveneens in Den Haag. De klacht is overigens nooit in behandeling genomen.