Krachtproef voor rood-groene coalitie

Een jaar na zijn aantreden als leider van de rood-groene coalitie staat kanselier Gerhard Schröder voor een reeks krachtproeven die hij op zijn best met moeite zal overleven. Zondag zijn er landdagverkiezingen in Saarland en Brandenburg. Een week later zijn er gemeenteraadsverkiezingen in Rijnland-Westfalen. Landdagverkiezingen staan in de komende tijd ook op de agenda in Thüringen, Saksen en Berlijn. De gefederaliseerde democratie van de bondsrepubliek is altijd al een belasting voor de continuïteit en de dynamiek van de landspolitiek geweest. Maar in dit geval dreigt zij een regelrechte aanslag te worden op een politiek experiment dat eigenlijk nog moet beginnen.

Op het schild geheven als voortrekker van de Neue Mitte – socialistische schering, liberale inslag – raakte Schröder al spoedig in de problemen door een diepgaand meningsverschil met SPD-voorzitter en minister van Financiën Oskar Lafontaine. De laatste wenste als traditionele socialist de nadruk te leggen op de verdeling in plaats van op de groei van de maatschappelijke koek. De chronische massawerkloosheid in Duitsland wilde hij bestrijden met de goede oude religie van het keynsianisme: hoge lonen en uitkeringen en een stevig financieringstekort. Een remedie die haaks staat op de leer van de aanbodeconomie die Schröders voorkeur had en heeft.

Op donderdag 11 maart ontplofte de bom. Tot verrassing van iedereen, ook van de kanselier, diende Lafontaine zijn ontslag in – als minister bij Schröder, als voorzitter bij het partijbestuur. De directe aanleiding is onduidelijk gebleven, maar de oorzaak was helder. De twee aanvoerders vertegenwoordigden ieder een vleugel in de partij, Schröder de vernieuwende, de `angelsaksische', Lafontaine de traditionele, de continentale. Een van beiden moest wijken. Het zou niet goed denkbaar zijn geweest dat Duitsland binnen Europa voor langere tijd de door zijn minister van Financiën gewenste koers zonder kleerscheuren had kunnen volgen. De radicale wending der Franse socialisten kort na hun aantreden in 1997 had een teken aan de wand moeten zijn.

Het meningsverschil en vervolgens de breuk met Lafontaine hebben voor veel oponthoud gezorgd. Daar kwam bij dat Duitsland het eerste halfjaar van 1999 het voorzitterschap van de Europese Unie bekleedde, de Europese Commissie in die periode er de brui aan gaf en in Kosovo de crisis een climax bereikte. Schröder en zijn ministers, voorop de bewindsman van Buitenlandse Zaken, Fischer, hadden de handen vol. Fischer moest bovendien op Hemelvaartsdag de rust in zijn partij, de Groenen, herstellen die over de luchtoorlog tegen Joegoslavië dreigde uiteen te vallen.

Toch heeft de regering ook op het binnenlandse front niet stilgezeten. De nieuwe minister van Financiën, Eichel, heeft een bezuinigingsbeleid ontworpen waar juist deze week de verschillende relevante gremia van de SPD in beginsel mee hebben ingestemd. Daarmee is een definitieve goedkeuring nog niet gegeven, maar erkend is met zoveel woorden dat de partij geen kans heeft de kwalijke prognoses voor de komende verkiezingen in haar voordeel om te buigen tenzij zij een minimum aan eensgezindheid laat zien. Die eensgezindheid is er nu in eerste aanleg.

Of de SPD het daarmee redt, staat te bezien. Was Schröder bij de Bondsdagverkiezingen van vorig jaar nog de hooggenoteerde outsider en veronderstelde stemmentrekker, die alleen al daarom de voorkeur kreeg boven de vertrouweling van de partij, Lafontaine, zijn reputatie heeft inmiddels flink geleden. Schröders laconieke gewoonte moeilijkheden weg te wuiven, ook indertijd die met Lafontaine, heeft een aantal malen verkeerd uitgepakt. Schröder blijkt ten slotte geen teflonpoliticus van wie de problemen als vanzelf afglijden. Zijn voorkeur voor dure pakken en party's alsmede zijn chronische flirt met de camera kreeg een averechts effect toen hij in de ogen van de kiezer het op punten van belang liet afweten.

Zo wordt de coalitie bedreigd door ten minste drie gevaren. De geslonken populariteit van de kanselier is voor de coalitiepartijen in de deelstaten een blok aan het been. Van een kanseliersbonus voor de SPD is geen sprake. De tegenstellingen binnen rood (over de economie en de sociale zekerheid) en binnen groen (over Kosovo en de kernenergie) hebben bij het electoraat niet de indruk gewekt dat de coalitie haar belofte van ingrijpende vernieuwing weet waar te maken. En in de oostelijke deelstaten (vier van de vijf Länder waar verkiezingen aanstaande zijn liggen in het oosten) lijkt de concurrentie van dieprood en bruin verder te zullen toenemen. Vorig jaar was daar voor de Groenen al weinig eer te behalen. In het westen van de bondsrepubliek liggen de recent dramatisch verloren verkiezingen in Hessen nog vers in het geheugen.

De brandende vraag is natuurlijk of na een reeks van verkiezingsnederlagen de spanningen tussen en binnen de coalitiepartijen niet zo sterk zullen worden dat het gezelschap uiteenvalt. Er is een theorie die in dat geval juist een versterking van de positie van Schröder binnen de SPD en binnen de coalitie verwacht omdat slechts de kanselier onder die omstandigheden in staat zou zijn de macht voor beide partijen te behouden. Maar een dergelijke analyse doet wel een heel groot beroep op de stressbestendigheid van socialisten en Groenen.

Is er een alternatief voor rood-groen? Dat is nog altijd een grote coalitie tussen socialisten en christen-democraten. Maar er zijn omstandigheden die tegen zo'n overgang pleiten. Vorig jaar gaf de CDU/CSU zelf de voorkeur aan een plaats in de oppositiebanken. De redenen daarvoor zijn niet werkelijk veranderd. De partij is na de nederlaag van 1998 nog te zeer met zichzelf bezig om al weer geloofwaardig een gooi naar de macht te doen. Het leiderschap van de combinatie is bovendien geen uitgemaakte zaak. De keerzijde is dat als rood-groen er alsnog in slaagt een geloofwaardig hervormingsbeleid te ontwikkelen, ook zonder deelneming aan de regering steun van de christen-democraten waarschijnlijk is. Als bijvoorbeeld van het Bondgenootschap voor Arbeid (vrij naar het Nederlandse poldermodel) iets terechtkomt en de sociale partners aan de regeringspolitiek kunnen worden gebonden, wordt het voor de christen-democraten wel bijzonder moeilijk om meer dan marginaal dwars te liggen. Bij eventueel gewijzigde krachtsverhoudingen in de Bondsraad mag daarmee rekening worden gehouden.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.

    • J.H. Sampiemon