Ik ben al wat ik heb

In Beiroet probeert men elke herinnering aan de oorlog uit te wissen. Voor sommige kunstenaars is het oorlogsverleden juist bepalend voor hun leven en werk.

Beiroet is dit jaar uitgeroepen tot culturele hoofdstad van de Arabische wereld. Je kunt de straat niet op of er is wel ergens een vernissage of een festival. Het aanbod is doorgaans decoratief van aard, want terwijl Beiroet het verleden begraaft onder een dikke laag beton, zwijgt de kunstwereld de oorlog dood. Ara Azad en Rana Haddad vormen een uitzondering. De oorlog heeft hen als persoon en kunstenaar gevormd.

Ara staat op het balkon van zijn atelier in Achrafieh en kijkt uit over Beiroet. De stad tekent grauw af tegen een stralend blauwe hemel en strekt zich steeds verder uit over het Libanese gebergte. Achter hem staan zo'n vijftien zelfportretten, allemaal met een opvallend grote neus. Ara Azad Barsouminian, zoals hij voluit heet, is een 37-jarige Libanese kunstenaar van Armeense komaf. De laatste tien jaar woonde hij voornamelijk in de Verenigde Staten. Hij exposeerde in onder andere Parijs, Praag en verschillende Amerikaanse steden, en keerde terug naar Beiroet voor een expositie.

,,Het is gek hoe de oorlog heel ver weg blijft, ook al zit je er middenin'', zegt hij. ,,Ik heb hem in die vijftien jaar maar een paar keer gezien.'' Hij vertelt hoe de Libanese Strijdkrachten (LS), Libanons meest fanatieke christelijke militie, de wild west-gewoonte had om gevangengenomen Palestijnen achter de auto te binden en door de straten te sleuren, hoe Syrische vliegtuigen een vlakbij gelegen woonwijk in brand schoten en hoe om de hoek een pick-up truck met acht afgeslagen hoofden stond. Uit hun monden stak een sigaar.Voor de meeste mensen is de Libanese burgeroorlog een oorlog tussen moslims en christenen. Zo simpel lag het echter niet. Verreweg de meeste doden aan christelijke kant vielen zelfs door christelijke hand. Aan het einde van de oorlog vochten Generaal Aoun van het Libanese leger en `dokter' Geagea van de LS tegen Syrië. Toen dat land zich terugtrok, vochten de twee christelijke leiders in '88/'89 tegen elkaar. ,,Ik en mijn broer tegen mijn neef en ik, mijn broer en mijn neef tegen de vreemdeling'', luidt een Arabisch gezegde.

Het was deze oorlog die voor Ara verreweg het zwaarst was. ,,In april bombardeerde generaal Aoun de kuststrook ten westen van Achrafieh'', legt hij uit en hij wijst richting Middelandse Zee, zo'n vijfhonderd meter verderop. ,,Daar bevond zich het hoofdkwartier van de LS, een enorme bunker waarin zich nu BO 18 bevindt, de bekendste nachtclub van Beiroet.''

Schuilkelders

Geagea en zijn manschappen verschansten zich vervolgens in Ara's Achrafieh. ,,Onvoorstelbaar, het regende werkelijk bommen.'' De meeste mensen trokken zich terug in de schuilkelders, zo niet Ara: ,,Ik wilde mijn schilderijen niet alleen laten.'' Blijkbaar was zijn tijd nog niet gekomen, want niet één granaat raakte zijn atelier op de vierde verdieping. Na de wapenstilstand werd Ara aangenomen op de Boston Museum School of Fine Arts, werd Generaal Aoun verdreven en kwam in 1991 de vrede tot stand.

Ara verwerkte zijn ervaringen in het atelier tot een indrukwekkende installatie genaamd `Begrafenis', die hem meteen de nodige faam bezorgde in zijn tweede thuisland. Een video van het werk toont een omgevallen ezel, kapotte schilderijen, een zelfportret en een gebroken beeld op een vloer van herfstbladeren. Regelmatig passeren zes heren in zwart met een doodskist, terwijl buiten een helikopter hangt die een oorverdovend lawaai maakt. Ara: ,,Na afloop maakte ik een tweede installatie, waarin ik alles heb ingepakt met bruin papier. Het was voor mij een manier om het verleden te verwerken, mijn herinneringen te redden door het creëren van beelden.''

Is de oorlog zijn werk ten goede gekomen? ,,Natuurlijk, het was immers een hele kunst hem te overleven'', lacht hij. ,,Ik kan slechts een emotie op het doek tot leven brengen, wanneer ik daar eerst zelf aan onderdoor gegaan ben. Omdat de oorlog mij gevormd heeft, moet ik er wel mee werken.''

Een constante in Ara's werk vormen zijn zelfportretten. Honderden heeft hij er, afhankelijk van zijn stemming in zacht groen, knalrood of schreeuwend zwart; soms in enkele simpele lijnen, soms in vele dikke lagen olieverf. Vaak zijn in recenter portretten lichamen en landschappen verwerkt, en zo lijkt het alsof hij zich langzaam maar zeker weer wat meer thuisvoelt in de wereld. In het algemeen laat zijn werk zich lezen als één grote zelfbevestiging: `ik, Ara, ik leef (nog).' Hij zegt zelf: ,,Ik ben al wat ik heb.''

Architecte

Ook Rana Haddad zag de dood verschillende malen in de ogen en ook voor haar vormt de oorlog haar voornaamste inspiratiebron. De nu 32-jarige kunstenaar en architecte is christen van origine, maar woonde tot 1985 in het islamitische West-Beiroet.

De verhalen volgen elkaar in snel tempo op. Ze vertelt hoe ze altijd naar het dak rende om te zien hoe de drie milities in de straat elkaar beschoten; hoe haar oom, een dokter, regelmatig door hen ontvoerd werd ter verzorging van de gewonden, en hoe op een dag een man aan de deur kwam met de opdracht haar vader te doden. De man nam plaats op de trap en zou wachten tot hij thuiskwam. Rana was toen twaalf jaar. ,,Gelukkig wist ik de onderbuurman te waarschuwen'', vertelt ze nuchter. ,,De normale gang van zaken daarna was uit te vinden wie het doodvonnis getekend had, een bemiddelaar sturen en dan maar wachten tot de storm weer gezakt was.''

Ook voor Rana was de `christelijke' oorlog in 1988 tussen Aoun en Geagea het meest ingrijpend. ,,Nadat Syrië zich had teruggetrokken, voelde ik wel aan dat het goed fout zat en ik besloot naar mijn familie in London te gaan. Maar de dag dat ik mijn ticket af ging halen was er tegenover het reisbureau net een autobom ontploft. Overal lagen bloed en ledematen. Achteraf bleek dat er zo'n vierhonderd doden waren gevallen. Was ik een paar minuten eerder gearriveerd, dan was ik er geweest.''

In London schreef ze zich in aan de Architectural Association (AA), de Engelse Academie voor Architectuur. ,,De eerste twee jaar waren heel moeilijk'', zegt Rana. ,,Daar beland je dan plots in `de beschaving', tussen allerlei hoog opgeleide lieden die me vragen waarom ik geen sluier draag en of er veel kamelen zijn in Libanon. Deze mensen dronken gewoon hun bier, maakten grapjes en hadden werkelijk geen idee.''

Het is dan ook niet zo vreemd dat ze voor haar afstuderen het programma `Exile and Return' koos. Het academisch sluitstuk (onder leiding van Nederlander Raul Bunschoten) begon met een tekst van Jay Fellows, waarin een man op zoek gaat naar de zolder van zijn geboortehuis.Volgens de man moet daar een schat liggen, maar hij kan de zolder niet meer vinden. Binnen deze sterk metaforische verhaalstructuur vertelt Fellows over de 20e-eeuwse ontwikkelingen in kunst en architectuur. Rana: ,,Na het lezen van de tekst had ik tien dagen lang nachtmerries. Allerlei oude beelden kwamen weer boven.'' Dat was in 1994, vijf jaar nadat ze Libanon verlaten had.

Plattegronden

,,Als vreemdeling in een nieuwe stad'', vervolgt ze, ,,werd ik gedwongen me af te vragen wie ik was en waar ik vandaan kwam. Ik realiseerde me bovendien dat ik met mijn herinneringen aan de slag moest en ze moest omzetten in iets positiefs, voordat het te laat was.''

Rana opent een zwart kartonnen doos met haar memoires van het laatste jaar aan de academie. Anders dan je zou verwachten bevat deze geen ingewikkelde bouwtekeningen, maar foto's, gedichten, gesprekken met mensen over heden en verleden in Marseille en Rotterdam en een reeks plattegronden van haar huiskamer in London die ze op een bepaald moment moest delen met een studiegenoot. ,,De doos bevat de weg die ik moest afleggen om uiteindelijk terug te kunnen keren naar Beiroet en af te rekenen met mijn eigen verleden. Centraal staan de begrippen confrontatie, invasie, verandering en herinnering.''

Rana besloot terug te keren naar het hart van de Libanese burgeroorlog, het centrum van Beiroet, dat vijftien jaar lang een niemandsland was waar sluipschutters het voor het zeggen hadden. Er waren twee wegen om van oost naar west te gaan. De een voerde langs de kust en was met een provisorische muur grotendeels afgeschermd van het centrum. Vanwege de drie controleposten die men men moest passeren duurde de overtocht erg lang. De landinwaarts gelegen route kon slechts veilig genomen worden door ontzettend hard te rijden, want hier hadden sluipschutters vrij spel. Behalve een onderzoek naar de typische oorlogsarchitectuur, vroeg ze een honderdtal mensen binnen en buiten Libanon hun ervaringen te beschrijven en een plattegrond van het centrum te tekenen. Het bleek dat hun herinneringen collectief misvormd waren. ,,Doordat men aan de ene kant kant ontzettend moest versnellen en aan de andere kant de stad amper kon zien, veranderden de belangrijkste herkenningspunten van plaats.'' Opvallend was dat mensen die het land verlaten hadden het zich over het algemeen beter konden herinneren dan diegenen die in Libanon gebleven waren. ,,Hun geheugen was als het ware stil blijven staan, terwijl dat van de achterblijvers voortdurend gevoed werd met nieuwe indrukken.''

Ze verwerkte haar onderzoek in een reeks plattegronden, waarin langzaam maar zeker een vouw ontstaat, een virtuele grens die officieel niet bestaat, maar volgens Rana Beiroets eigenlijke scheidingslijn vormt. De landkaarten gaan gepaard met een twintigtal zeer bijzondere kunstwerken: een serie tot in het extreme uitvergrote foto's die zijn bewerkt met pastel en houtskool. De manier waarop de foto's zijn vervaagd geeft de afbeeldingen een haast mystiek karakter, waarbij de tragiek van Beiroet op subtiele wijze zichtbaar blijft.

Zakencentrum

Het architectonische deel van Rana's werk werd hoog gewaardeerd en leverde haar meteen een baan op aan de Londense academie. De kunstwerken, die daar eigenlijk niet los van gezien kunnen worden, kregen tot nu toe niet de waardering die ze verdienen. ,,Er zijn wel galeries geweest die ze zonder de plattegronden wilden exposeren. Ik kon ze zelfs verkopen. Maar dit zijn te persoonlijke werken.''

Inmiddels stampt men in sneltreinvaart een zakencentrum uit de grond, dat van Beiroet nu niet het Parijs maar het Hong Kong van het Midden Oosten moet maken. De reconstructie van Beiroet zoals die nu plaatsvindt, noemt Rana een `culturele misdaad'. Niet alleen omdat een groot aantal prachtige gebouwen voor een schijntje is opgekocht en vervolgens met de grond gelijk is gemaakt, maar ook omdat er geen plaats is voor het verleden en vooral niet voor de oorlog.

,,De meeste mensen voelen zich niet verbonden met het nieuwe centrum'', zegt Rana. ,,In die zin blijft het een niemandsland. De oudere generatie is teleurgesteld omdat ze niets terugziet van het door hen zo verafgode vooroorlogse Beiroet en verdrinkt zich in nostalgie. Zoals mijn moeder, die blijft vertellen hoe ze in de jaren zestig de bus naar Jeruzalem nam.''

Voor de jongere generatie is de situatie al niet veel beter. Negentig procent van de studenten met wie Rana werkt aan Beiroets kunstacademie zijn een jaar of twintig en wonen buiten de stad. Rana: ,,De verhalen die deze jonge mensen meekrijgen, zijn die over het fantastische Beiroet van voor de oorlog en het slechte Beiroet van tijdens en na de oorlog. Zij leven andermans herinneringen, en zijn als een vreemdeling in hun eigen stad. Zoals ik als vreemdeling in Londen het spel met de herinnering ben aangegaan, zo denk ik dat het ook hier moet gebeuren. Speel ermee, zet de herinnering om in iets positiefs.''

De workshop die ze aan de academie geeft, is op dit principe gebaseerd. De studenten krijgen een naam van een beroemd restaurant of theater en worden naar downtown Beiroet gestuurd om uit te zoeken waar en wat het precies was. Hun onderzoek naar de herinnering dient vervolgens in een object te worden vertaald.Rana: ,,Als ze niet de confrontatie met het verleden aangaan, hoe kunnen zij dan ooit gezond in het leven staan? Bovendien: hoe kunnen zij ooit als architect of kunstenaar aan de slag, indien er een gat in hun geheugen, in de geschiedenis van de stad bestaat?''

    • Peter Speetjens