Iemand, Niemand, Nederland

Nostalgie heeft geen smaak.Voor schrijver Benno Barnard is het herlezen van vertrouwde kinderboeken een aangenaam wegzinken in Vroeger.

Misschien is het wel zo, nu niemand mij dat vraagt, dat mijn vader een schrijver van me heeft gemaakt en mijn moeder een lezer. De archetypische situatie na het avondeten bij ons thuis zag er als volgt uit: mijn vader in zijn studeerkamer, door een sluis van drie treden met een deur aan weerszijden opgegaan naar zijn geleerdheid, en zijn vrouw en kroost in het belendende vertrek, achtergebleven in onze televisieloze woonkamer, verdiept in boek of krant. Ja, mijn geestdrift voor bedrukt papier is ongetwijfeld een vrucht van haar matriarchaat. Alleen wil ik die appel hier niet opblinken, want mijn enthousiasme is wormstekig. Citeer ik niet met ongepaste gretigheid Josep Pla, die romans `kinderboeken voor volwassenen' noemde? Ik, ex-kind, schrijver, geperverteerde, voor wie boekhandel en bibliotheek uitpuilen van andermans geschriften!

Wat nu mijn moeder betreft: sinds ik me eindelijk heb ontworsteld aan de Laocoöngroep die ik samen met mijn verwekker en een taaie adolescentie veel te lang ben blijven uitbeelden, verbaas ik me dikwijls over haar invloed op mijn ziel.

Zei ik ziel? Dat klinkt alsof ik – geboren onder Sartre, ellipsen zwevend in dat melkweg geheten ejaculaat van Niemand – een kind van de vooroorlogse wereld ben. En zo voel ik het ook aan. Het interbellum was de sfeer van mijn moeder, rond mijn moeder, iets onzichtbaars dat haar overal vergezelde, een ether waarin geborgenheid en dreiging een chemische verbinding waren aangegaan.

Ze werd geboren in Rotterdam, vijf maanden na de wapenstilstand van 1918, op de datum van Hitlers toekomstige suïcide. Mijn grootvader, die ik me nog vaag herinner als een artistieke père Goriot, stok, alpino, twee trouwringen aan de hand, ronde meerschuimen kop van zijn pijp, stond aan het hoofd van een kleine deurenfabriek en een grote kinderschaar. Hoewel zeker niet onbemiddeld, was hij tot zijn verdriet niet in staat voor zijn oudste dochter een universitaire opleiding te bekostigen. Zo maakte de crisis een kwekelinge van haar, vervolgens een kwekelinge-met-akte en tenslotte een schooljuffrouw in het dorp Kethel, wat ze tot haar huwelijk in 1946 zou blijven, onderbetaald en allengs ook ondervoed. Ziedaar de maatschappelijke carrière van mijn moeder.

Het allesbepalende, allesoverschaduwende in haar leven waren `de meidagen', toen de Luftwaffe haar jeugd in de as had gelegd, nog geen twee weken na haar eenentwintigste verjaardag. Haar ouderlijk huis was dan wel gespaard gebleven, sindsdien voelde ze zich een ontheemde in de moderne wereld, die in haar ogen nooit meer de echte kon zijn, nooit meer de hare. (Laat ik op deze plaats het adres van haar meisjestijd memoreren, dan kent het tenminste een minimale vereeuwiging: Aelbrechtskade 84a. Daar woonde mijn moeder. Aan de Aelbrechtskade. Op nummer 84a.)

Dat sentiment van vervreemding beïnvloedde ook haar lectuur. Ze herlas graag de boeken van Ooit: de sprookjes van Andersen, verlucht met de somptueuze kleurenplaten van Rie Cramer, of Top Naeffs dierbare Schoolidyllen, met een halfversleten linnen Jugendstil-band en bruingespikkeld, viltig geworden papier, dat in de snee een elegante cascade vormde. Maar ook Heinrich Böll las ze, en de Buddenbrooks, en Engelse romans, en bladen, en kranten, allemaal door elkaar, maar die kranten met meer acribie dan menige blauwkous: ze sloeg het absurdistische wereldtoneelstuk gade door de binocle van haar dubbele trauma, het Bombardement en de Hongerwinter, vol argwaan, murmererend als de kinderen Israëls, over kernproeven, over het gebruik van napalm in Vietnam, over de deelstaatoverwinningen van de revanchist Adolf von Thadden – in mijn hoofd resoneert nu nog de onheilspellende naam van die man, die mijn moeder bang maakte en daarom een monster was. De geschiedenis droeg nu eens het masker van deze kwelduivel, veranderde dan weer in het Atoom, Lyndon Johnson of de Opperste Sovjet, maar stootte haar in elk geval bijna dagelijks met de elleboog aan. Op mijn tiende kende ik al deze namen en begrippen, was althans vertrouwd met hun klank. En mijn verbeelding doste in de stijl van Winnie de Poeh ook de abstracta met hoofdletters uit: Wapenwedloop, Hereniging...

Maar dat alles deed niets af aan haar warmte. Ons hele huis, ook het fort van de geest waarin mijn vader troonde, was doortrokken van haar warmte.

Ze stierf in de lente van 1995, driekwart eeuw oud, doodgetreiterd door die verschrikkelijke Alzheimer. Toen ik het nieuws hoorde, stond ik in een buitenlandse hotellobby, door zeshonderd kilometer telefoondraad met `thuis' verbonden – en ik, ijlhoofdige, plots in volle zee, met een stampend, slingerend schip onder mijn voeten, greep een eind touw en begon saevis in undis het vasteland naar me toe te trekken. Dat was het eerste beeld. Ik legde de hoorn op het toestel. De receptionist hing mijn sleutel aan het bord. Ik liep de zonnige tuin in, waar de tafel was afgeruimd, het serviesgoed weer op zijn planken paradeerde en wij ons behaaglijk in dat aloude tableau vivant van lezend gezin schikten: de vloer was bezaaid met boeken, kranten, kussens en kinderen, en de veren in de sofa knarsten zacht wanneer mijn moeder ging verzitten, als een akoestische herinnering aan het feit dat de wereld in zijn voegen kraakte.

Schrijvers zijn een en al pauwenstaart, secundo om met zichzelf te pronken, maar primo om veel ogen te hebben, kleurige periscopen waarmee ze over hun eigen hoofd heen kunnen kijken.

In 1956 ontving mijn vader een studiebeurs voor Engeland, waar hij T.S. Eliot en ik Jack en Jill leerde kennen. Van mij hadden we wel definitief eilandbewoners mogen worden – maar dat is een retrospectieve mening, ik was nog een zuigeling. Na een halfjaar was de koek op en keerden we terug naar Nederland. Toen werd het november en brak de opstand in Boedapest uit. De oorlog blies met zijn hete adem in het geheugen van mijn ouders, waar de eeuwig nasmeulende angst van Toen hoog oplaaide, en van de laatste kruimels beurs namen we weer de boot in de omgekeerde richting. We bleven drie weken in Londen. De geschiedenis, die als een valse hond naar onze enkels hapte, kroop terug in zijn hok, met de allerlaatste kruimels betaalde mijn vader de hotelrekening, en toen kon er nog net een cadeautje voor mijn tweede verjaardag af. Zo kwam ik aan Jack en Jill.

The Jack and Jill Book 1957 is mijn Oudste Eigen Boek, onafgebroken in mijn bezit sinds de memorabele dag waarop het voltallige personeel van het Somerset House Hotel te mijner ere `Happy Birthday' zong - die anekdote heeft mijn vader overgeleverd, wiens kalligrafische hand voorin ook de naam van ons hotel heeft genoteerd.

Ach! Jack en Jill! Engelse generatiegenoten worden week als ik het Boek noem. Zeven-shilling-en-six-pence kostten de avonturen van de pathologisch glimlachende tweeling en het circus van antropomorfe konijnen, olifanten en kikvorsen in hun gevolg. Fleurige prenten, luttele regels tekst, die mijn moeder voor me vertaalde, terwijl ik, genesteld in haar schoot, de personages aanwees. Drie was ik, vier, maar ook toen ik de prehistorie overwonnen had en zelf kon lezen, bedelde ik nog om vertolkingen van Freddie Frog en Harold Hare, want ik zwolg in deze stripverhalen, verzot op vormen en kleuren als ik was – en dat geestdriftige knaagdier en die ijdele amfibie spraken nu eenmaal Engels...

Het woord caleidoscoop, veelvuldig en haast clichématig met het geheugen in verband gebracht, is in het geval van Jack en Jill wel erg toepasselijk. Nu ik het Boek voor het eerst in jaren weer doorblader, verandert het in een primitieve film: honderden goedkope plaatjes tuimelen over elkaar heen, die ik stuk voor stuk herken en associeer met duizend-en-één dingen, het rode patroon in mijn wollen deken, de stem van mijn moeder, het slaapliedje van de duiven in onze tamme kastanje, de nagels van mijn moeder, de blokkendoos die mijn grootvader speciaal voor mij in zijn fabriek had laten maken, de nachtzoen van mijn moeder – en tegelijkertijd vervloeien ze tot een polychromatische baaierd die krijst om een schepper. Maar als de plaatjes weer tot stilstand komen, moet ik ook de onbenulligheid van het Boek tot me laten doordringen. Erbarmen, wat een horribele tekenstijl! En die zouteloze, zelfs niet tot gemoraliseer, tot die onderste tak van de boom der kennis opwiekende vertelsels! Het Britse Rijk moet uitgeput zijn geweest in de jaren vijftig, leeggezogen door de oorlog, dat het zijn bleekneusjes dit soort slappe kost voorzette.

Maar nostalgie heeft geen smaak. `A Day in London with Jack and Jill' levert het bewijs. Ik woonde in de jaren vijftig als een klein weekdier in zijn schelp – hier druk ik die schelp tegen mijn oor en onmiddellijk hoor ik mijn moeders stem, glashelder, met de toverformule van het verhaal: ,,Daar ben jij ook geweest!'' Hoe vaak zou ze die mantra hebben herhaald?

In London they catch a big red bus.

Laughs Jack, ``It's stopping just for us.''

Natuurlijk gingen rijm en viervoetige jambe verloren in haar vertaling. Maar de dubbeldekker rijdt nog altijd naar Trafalgar Square, waar een glimlachende Jack en Jill in hun zondagse kleren de duiven voeren, gekiekt door de pater familias, gleufhoed, pijp in de maansikkel van een glimlach geklemd, en warm toegeglimlacht door een groen mantelpakje op pumps en onder een zwart hoedje:

First they go to Trafalgar Square,

To see the lions and pigeons there.

Mantra. Op een foto-met-kartelranden uit november 1956 strooien mijn oudste zusje en ik broodkorsten in een donderwolk van duiven, onder het toeziend oog van Lord Nelson en onze ouders. Willem (36) draagt een pet. Met de vouw in zijn broekspijpen zou hij zich kunnen scheren. De donkere deux-pièces van Christina (37) heeft ongeveer dezelfde snit als het mantelpakje op pagina 50 in het Boek. Zo vooroorlogs als die zwart-wit-grijze, handpalmkleine wereld mij (44) nu aandoet! Maar voor welke oorlog? En ik heb er wel degelijk in rondgestapt.

Kinderboeken zijn romans voor kinderen, maar ook voor infantiele volwassenen. De pockets van Prisma, de turven van Leopold, de Puffins die mijn vader van zijn reizen naar Engeland meebracht toen we de taal enigszins machtig waren en die hij steevast eerst zelf las – ze defileren nog steeds in lange rijen op een paar planken in mijn bibliotheek, met beduimelde bladzijden en gehavende kaft, als een leger van ezelsoren, dat me door de tijd heen trouw is gevolgd, tot diep in het terra incognita van de volwassenheid. En badinage verdringt gêne in de bekentenis dat ik, jong-bemiddelaar, hoofd als een lamp, af en toe een boek uit die intieme hoek van mijn bibliotheek tevoorschijn haal en via die spiegel op mijn kindertijd terugkijk, met tien, twaalf flonkerende ogen tegelijk.

Winnie de Poeh van A.A. Milne, Het neefje van de tovenaar van C.S. Lewis, Toms nachtelijke avontuur van Philippa Pearce, De brief voor de koning van Tonke Dragt, De wind in de wilgen van Kenneth Graham, etcetera. Mijn collectie telt driehonderd delen, die ik hier maar niet een voor een zal opsommen.

De lectuur van al die oude getrouwen is bepaald verfrissend. Bijvoorbeeld hierom: ik zink weg in Vroeger, maar ondertussen registreert mijn te volle verstand van Nu het gebruik van allerlei `volwassen' technieken en de behandeling van dito obsessies. Snijdt Lewis soms niet in de vorm van een allegorie de thematiek van het lijden aan? In Toms nachtelijk avontuur bezoekt de held de dromen van een bejaarde vrouw – een hoogst freudiaans boek is dat. In De torens van februari creëert Tonke Dragt een tegenwereld uit antimaterie. En heeft Lewis Carroll een dadaïstisch-surrealistisch-absurdistisch meesterwerk gschreven of niet? Avant la lettre dan nog wel, tientallen jaren voor Tzara-Breton-Beckett!

Ik noemde Tonke Dragt. Hier past een nieuwe confessie: Tonke Dragt beïnvloedt mijn kijk op de wereld diepgaander dan de meeste wijsgeren, nu nog steeds. Ook haar recente werk heb ik gelezen. Zij is de Maria Middelares van de moderne natuurkunde voor mij, springt naar het metafysische à la Mulisch, draait pirouettes in de geest van Borges... Een schrijfster naar mijn hart!

Als het hamertje tegen het flesje vergif tikt, sterft de kat van Schrödinger in zijn kist, maar:

,,Pas op het ogenblik dat je de kist opent weet je het. Zodra je kijkt is de kat levend of dood. In de tijd daarvoor moet volgens de Q.M.-formules de kat allebei zijn, zowel dood als levend, want...''

,,Nee! Je kan niet tegelijk dood en levend zijn!'', viel Otto Xantippe in de rede. Dat is nog raarder, dacht hij, dan een klok die niet tikt als je weg bent.

Het boek waarin deze kwestie wordt aangevoerd, heet Aan de andere kant van de deur. Verrukkelijke hersenspinsels over Q.M. (kwantummechanica) maar op pagina 291 verdringt een semantisch probleem opeens de fysica. Daar gebruikt mevrouw Dragt namelijk het werkwoord neuken.

Ik voelde een tintelende steek, een grappige pijn toen ik dat las. Dit, dacht ik direct, zou mijn moeder erg hebben gevonden. Of niet erg, maar vulgair. Erg vulgair. In de ogen van de de dochter van de deurenfabrikant – die ons niet voorlas uít, maar met ons meelas ín De brief voor de koning, waar het woord stellig niet in voorkomt – zou ... zomaar pardoes uit de lucht op de bladspiegel zijn gespat, als vliegenviezigheid, pets, een n, pets, een e... Met dingen die uit de lucht kwamen vallen, had mijn moeder slechte ervaringen. Ze was overigens helemaal geen kwezel in sexualibus, maar de vergroving die woorden als ... voor haar gevoel impliceerden, was het product van een steeds verder uit elkaar vallende wereld, die nooit meer de hare zou worden.

Het centrum van haar eerste wereld was een goed-burgerlijke woning met een erker, gestoffeerd met bloempatronen en dikke tapijten. Eik domineerde het interieur, waarin mijn gracieuze grootmoeder rondgonsde als een bij. Op foto's ziet ze er Levantijns of Sefardisch uit, donker, geblakerd haast, in absoluut contrast met haar oudste dochter, die zo blond en bleek was dat ze op het strand een hoed moest dragen en als klein kind geloofde dat ze een vondeling was, aangetroffen in een een kerkportaal. Een Duits dienstmeisje assisteerde in het huishouden. Van deze Else Böhler leerde mijn moeder gekke rijmpjes:

Eins, zwei, drei,

Hitler legt ein Ei,

Thälmann brüht er aus –

die Nazis kommen raus!

Mijn grootvader, meer Laar- dan Boorman, zij het succesvoller, was een edeldilettant in de kunsten. Hij schilderde met olieverf, schreef academische sonnetten in de stijl der Tachtigers en speelde naar het schijnt uitmuntend piano – hij had enkele zoetgevooisde nakomelingen, onder wie mijn moeder, die stukken uit het romantische liederenrepertoire vertolkten, begeleid door hun verwekker. 's Zomers veranderde het vissersdorp Katwijk voor zes weken in een kolonie van Aelbrechtskade 84a: samen met haar hond, dienstmeisje en acht kinderen betrok mijn grootmoeder een pension, waar haar patriarch zich van zaterdagmiddag tot zondagavond in de schoot van zijn gezin kwam nestelen, als de reuzenbaby van zijn eigen baby's... En mijn moeder tenniste. En als kwekelinge speelde ze toneel (mijn vader zou, geheel in de trant van la réalité surpasse la fiction, verliefd op haar geworden zijn toen ze de rol van een zekere Aimée speelde). En ze las Andersen en Top Naeff. En ze had een fiets. En er was een telefoonaansluiting. En die hele degelijke, fatsoenlijke, burgerlijke wereld, de wereld van het burgerlijke humanisme, die een bedroefde Thomas Mann in 1950, vijfenzeventig jaar oud, nog eenmaal in het licht zou tillen in zijn ontroerende redevoering Meine Zeit, als om een stijfkoppig geslacht de uitdovende schittering te tonen van de stralenkrans waarmee die mens geheten rose tweehoevige zich een eeuw of zo getooid had - die wereld moest dus kapot.

En nog kapotter. Want Rotterdam is zoals bekend eerst door de Duitsers verwoest en daarna nog een keer of wat door de Rotterdammers – en 84a is vorig jaar afgebroken.

Thomas Manns `Meine Zeit' is onlangs als `Mijn Tijd' in een vertaling van Paul Beers verschenen bij Nexus Instituut.