Huntington

Ofschoon Ronald Havenaar Samuel Huntingtons Botsende Beschavingen rekent tot de `meest belangwekkende politieke verhandelingen van de negentiger jaren' schaart hij zich in zijn bespreking (Boeken, 27.8.99) aan de zijde van de critici. Zo wijst hij erop dat de westerse opstelling in Bosnië en Kosovo moeilijk valt te rijmen met de verondersteld religieus-culturele tegenstellingen tussen het Westen en de islamitische wereld. Ook spreekt Havenaar van `geforceerde' pogingen de wispelturige werkelijkheid in de mal van een paradigma te persen.

Hier toont Havenaar zich een slecht observator. Niet alleen getuigt de westerse opstelling in Bosnië en Kosovo van een gapende kloof tussen voorwendsel en werkelijkheid, bovendien hebben zich sinds het neerhalen van de Muur tal van conflicten voorgedaan tussen volkeren met een verschillende cultuur en religie. Zie de strijd op de Balkan; de strijd tussen Armenië en Azerbajdzjan; de oorlog in Tsjetsjenië; de inzet van het Russische leger in Dagestan; de spanningen tussen het hindoeïstische India en het islamitische buurland Pakistan; de strijd tussen het christelijke Zuid-Soedan en het islamitische noorden van het land; de gebeurtenissen in Indonesië.

Waar Havenaar zich blind betoont voor de zich in diverse regio's afspelende etnisch-religieuze conflicten, behoeft het amper verbazing te wekken, dat de op vaderlandse bodem woedende strijd tussen beschavingen door hem onopgemerkt is gebleven. In Nederland kan men zich niet langer aan de indruk onttrekken, dat het naast elkaar leven van autochtonen en allochtonen regelmatig ernstige fricties oplevert. Ik doel hierbij met name op conflicten en spanningen welke nauw verband blijken te houden met de in islamitische landen heersende cultuur, zoals het hoofddoekenvoorschrift of de leerplichtontduiking van meisjes. Wordt met het in het zicht treden van de `natuurlijke' grenzen van de tolerantie niet het grote ongelijk van Huntingtons criticasters bewezen?