Hunkeren naar spanning en strijd

Vandaag promoveerde historica Evelien Gans op een dissertatie over de verhouding tussen socialisme en zionisme in Nederland gedurende de afgelopen eeuw. Mooie portretten van vooraanstaande joodse socialisten, maar ook vragen over de mate van antisemitisme in de Nederlands vooroorlogse `Rode familie'.

Nederlanderschap, joodse achtergrond, socialistische en zionistische overtuigingen, de telkens wisselende relatie tussen die eigenschappen, bij individuen en groepen: dat is de rode draad in het proefschrift van historica Evelien Gans, vandaag verdedigd en verschenen als handelseditie onder de titel De kleine verschillen die het leven uitmaken.

Relatief beknopt behandelt Gans allereerst de verhouding van Nederlandse joodse socialisten tot het zionisme in de eerste decennia van de eeuw. Het joodse proletariaat liep hier destijds niet warm voor het idee van een eigen joodse staat. De leden van de Nederlandse Zionisten Bond (NZB) – overwegend afkomstig uit de middenstand – zetten zich namelijk fel af tegen het socialisme, terwijl tegelijk joodse socialistische politici en vakbondsleiders met groot succes streden voor de emancipatie van joodse arbeiders en hun integratie in de Nederlandse samenleving. De pogroms in Oost-Europa maakten dat sommige socialistische leiders, joodse en niet-joodse, rond 1918 begrip en sympathie kregen voor het streven van de Poale Zion (Werkers van Zion), een marxistisch-zionistische groepering die al eerder in Rusland was ontstaan. Vakbondsleider en SDAP-politicus Henri Polak trad zelfs toe tot het curatorium van het Palestina Opbouwfonds, zonder zelf zionist te worden. In deze tijd ondernomen pogingen om een Nederlandse afdeling van de Poale Zion op te richten, mislukten echter wegens gebrek aan belangstelling.

Het werkelijke startpunt van Evelien Gans' proefschrift is het jaar 1933, toen ongetwijfeld onder invloed van de vestiging van de nazi-dictatuur in Duitsland, in Nederland ten slotte toch een aparte afdeling van Poale Zion werd opgericht. Vanaf dat moment behandelt de schrijfster haar onderwerp voornamelijk chronologisch. Aan de hand van vaak indringende portretten van vooraanstaande joodse socialisten in Nederland en van standpuntbepalingen van partijen en organisaties analyseert zij de reacties op de dramatische ontwikkelingen in de periode 1933-1940, de Duitse bezetting, de bevrijding, de stichting van de staat Israel en de diverse crises waarin de nieuwe staat betrokken raakte. Aan het slot laat Evelien Gans in interviews met joden in Nederland en Israel zien, hoe hun standpunten zich in de loop van de tijd ontwikkelden of wijzigden. Bovendien geeft zij de reflecties van deze respondenten op hun verleden weer, zodat via de flashback-methode dat verleden soms een verrassend nieuwe belichting krijgt.

Romantische liefde

Eén van Gans' opmerkelijke conclusies is dat jonge joodse SDAP'ers of AJC'ers die zich bij de Poale Zion aansloten, dit doorgaans niet zozeer deden uit beduchtheid voor de antisemitische propaganda van Nederlandse nazi's, alswel uit onvrede met het immobilisme dat in de jaren dertig heerste binnen politieke partijen en vakbeweging. Hun liefde voor Zion lijkt bovenal ingegeven door een romantische hunkering naar spanning en strijd: dezelfde reden waarom in die tijd andere joodse socialisten zich aansloten bij de OSP of de CPH. Maar terwijl de aanhangers van Poale Zion lid konden blijven van de SDAP, was dit voor leden van de uiterst linkse, antinationalistische partijen mogelijk noch wenselijk.

Binnen de Poale Zion zou de linkse socialist en zionist van het eerste uur Sam de Wolff een prominente rol blijven spelen. Zijn zionisme stoelde voornamelijk op een romantische liefde voor het joodse volk en zijn eeuwenoude tradities. Die liefde combineerde De Wolff overigens met een minstens zo sterke liefde voor het Nederlandse vaderland. In juli 1944 behoorde hij tot de kleine groep Nederlandse joden die, gedeporteerd naar Bergen-Belsen, door uitwisseling met Duitse gevangenen op legale wijze Palestina kon bereiken. Maar nog voor de uitroeping van de door hem enthousiast verwelkomde staat Israel keerde De Wolff terug naar zijn geliefde Nederland.

Door zijn uitgesproken persoonlijkheid kreeg De Wolff de aandacht van de Nederlandse Poale-zionisten. Dat neemt niet weg dat kort voor het uitbreken van de oorlog jongeren zoals de latere Amsterdams hoogleraar Sal Kleerekoper, Joop Voet en Jaap van Amerongen – die zich sterk van hun Nederlanderschap begonnen te distantiëren – binnen de organisatie meer en meer de dienst gingen uitmaken. En hoewel onder joodse SDAP'ers de Poale-zionisten een minderheid bleven vormen, kregen juist de radicale jongeren onder hen, na aansluiting van hun organisatie bij de NZB, een leidende positie onder de Nederlandse zionisten. Zij richtten zich naar de `totaal-zionisten' die met de voorzitter van de NZB, mr. Abel Herzberg, meenden dat joden nergens een vaderland hadden en daarom al hun energie dienden te richten, liefst door emigratie, op de vestiging van een joodse staat in het Beloofde Land, dat toen nog heel Palestina omvatte.

Het totaal-zionisme vond geen genade in de ogen van oudere Poale-aanhangers als Sam de Wolff, voor wie het internationaal georiënteerde socialisme uiteindelijk een grotere betekenis had dan welk nationalistisch ideaal ook. Ook niet-zionisten als Henri Polak, die zich even Nederlands als joods voelden, was het totaal-zionisme een gruwel. Hij en andere vooraanstaande joodse socialisten, zoals de publicist A.B. Kleerekoper (ABK), duldden geen enkele inbreuk op hun rechten als Nederlandse staatsburger. Fel keerden zij zich tegen joden en niet-joden tegelijk, die meenden dat joden zich beter op de achtergrond konden houden van het Nederlandse politieke leven. In het socialistische dagblad Het Volk bestreden Polak en ABK de antisemitische hetze van nationaal-socialisten in binnen- en buitenland zo fel, dat het ergernis begon te wekken bij de leiding van partij en vakbond.

Niet alleen niet-joden zoals de oude SDAP-apostel Willem Vliegen meenden dat het partijblad overdreven veel aandacht besteedde aan het bestrijden van antisemitisme en nationaal-socialisme, ook de joodse wethouder Emanuel Boekman vond dat. Dat is des te merkwaardiger, omdat Boekman een van de weinige vooraanstaande joodse SDAP'ers was die vlak voor de oorlog toetraden tot de Poale Zion. En bij Boekman is deze bekering tot het marxistisch zionisme nu juist wèl toe te schrijven aan de hoop en verwachting dat de Europese joden zich aan de wurgende greep van de nazi's konden onttrekken door massaal te emigreren naar Palestina.

Ik ben het niet met Evelien Gans' conclusie eens dat Polak zich in de jaren dertig meer en meer afkeerde van het zionisme. In dit verband noemt zij Polaks terugtreden in 1936 uit het curatorium van het Palestina Opbouwfonds `symbolisch' (bedoeld wordt waarschijnlijk `symptomatisch'). Wat Polaks motieven precies waren is niet bekend en dat geeft ruimte tot `hineininterpretieren'. Omdat Polak feitelijk nooit zionist was geweest, heeft hij zich er mijns inziens ook niet van kunnen distantiëren. Wel placht hij zich nogal eens terug te trekken uit organisaties die niet in staat waren hun doeleinden te verwezenlijken. Polak was een van de weinigen die al vóór de oorlog begrepen dat de nazi's echt van plan waren om, waar zij dat konden, de joden te vermoorden. Naarmate, onder andere door de geallieerde politiek van appeasement, nazi-Duitsland zijn macht vergrootte, groeide bij hem de overtuiging dat redding van miljoenen met de dood bedreigde joden door massale emigratie naar Palestina niet tot de mogelijkheden behoorde. Volgens hem kon de catastrofe alleen nog maar worden afgewend als de regeringen van de democratische landen gezamenlijk besloten de met de dood bedreigde joden zo spoedig mogelijk in hun midden op te nemen.

Onderduikadres

De gebeurtenissen die Evelien Gans beschrijft in De kleine verschillen hebben in mijn eigen leven vaak een rol van betekenis gespeeld. Bovendien komen er in haar studie nogal wat personen voor die ik persoonlijk kende en soms nog ken. Zo leerde ik Jaap van Amerongen – die later een belangrijke functie op het Israelische ministerie van Financiën zou bekleden en als een van de eerste Israeliërs de noodzaak inzag om van gedachten te wisselen met de PLO – in 1943 op mijn onderduikadres in Alkmaar kennen, toen hij daar als illegale werker een van zijn zusters opzocht. Jo Melkman, tegenwoordig Jo Michman, was op het Joods Lyceum een van mijn zeer gewaardeerde leraren Grieks en in 1955, kort voor zijn vertrek naar Israel, mijn werkgever bij het Nieuw Israelisch Weekblad. Door mijn betrokkenheid bij het onderwerp begrijp ik misschien beter dan de gemiddelde lezer hoe moeilijk het is om achteraf de historische werkelijkheid precies te achterhalen. Een voorbeeld: zonder zelf positie te kiezen geeft Evelien Gans helder de discussie weer tussen NIW-redacteur Jo Melkman en Joodse Wachter-redacteur Ies Swelheim over de betekenis van de Februaristaking voor de Nederlandse joden. Terwijl Melkman hier vooral een uiting van Nederlands nationalisme in zag, vatte Swelheim de staking op als een unieke uiting van solidariteit van de niet-joodse bevolking met de verdrukte joodse landgenoten.

Voor wie, zoals ik, getuige was van de staking, doet deze discussie enigszins schimmig aan. Dat er gestaakt werd, hoorde ik woensdag 25 februari 1941 al om zeven uur 's ochtends. Toen stormde een niet-joodse Duitse communistische vriend van onze familie de trap van onze woning in de Rivierenbuurt op, en riep enthousiast: `Ze sjtaken, ze sjtaken!' Op zijn aanraden liep ik meteen naar de tramremise aan de nabijgelegen Lekstraat, waar honderden stakende conducteurs zich hadden verzameld en een enkele werkwillige collega verhinderden uit te rijden door op de tramrails te gaan zitten. Diezelfde dag zag ik bij een bezoek aan mijn klasgenoot en vriend Wouter Wagener zijn vader stakingsoproepen van het communistische stakingscomité hectograferen. Dat de staking als protest bedoeld was tegen de grootscheepse razzia die de Duitsers de zaterdag en zondag daarvoor in de oude jodenbuurt hadden ondernomen, stond op dat moment voor mij als een paal boven water.

Onmiddellijk na de bevrijding in mei 1945 stapte vader Wagener uit de communistische partij, die zich op dat moment `Vrienden van de Waarheid' noemde. Reden: partijsecretaris Paul de Groot had zijn aanhangers opgeroepen om naast de rode vlag ook de nationale driekleur uit te hangen. Vader Wagener beschouwde dit als een voor communisten ontoelaatbare concessie aan nationalistische gevoelens. Het staat dus vast dat ten minste twee mensen de Februaristaking niet uit Nederlands nationalistische overwegingen hebben toegejuicht.

Vernietigingskampen

Hoe men achteraf de betekenis van de Februaristaking voor de joodse bevolking ook beziet, zeker is dat tijdens de deportaties van joden naar de vernietigingskampen maar een kleine minderheid van de Nederlanders zich barmhartig en heldhaftig tegenover hen gedroeg. Evelien Gans vermeldt dat nogal wat SDAP'ers en leden van het NVV op individuele basis joodse leden van de `rode familie' lieten onderduiken. Zij en anderen vragen zich echter terecht af waarom de leiding van sociaal-democratische partij en vakbeweging geen directieven gaf, die ertoe hadden kunnen leiden dat veel meer joodse socialisten waren gered.

Een rechtstreeks antwoord geeft de schrijfster niet op deze prangende vraag. In dit verband acht zij het bovendien `een punt voor nader onderzoek hoeveel partij- en vakbondsleden eigenlijk al langer het gevoel hadden dat binnen hun gelederen de joden in aantal of functies disproportioneel vertegenwoordigd waren, of zich, al dan niet verbaal, te sterk deden gelden.' Waar Evelien Gans slechts over summiere aanwijzingen beschikt, dat dit mogelijk het geval was, had zij beter deze opmerking achterwege kunnen laten. Immers zo suggereert ze op onvoldoende gronden dat nogal wat leden van de rode familie tijdens de oorlog verzuimden hun met de dood bedreigde joodse medestrijders te helpen, gewoon omdat ze eigenlijk niet van joden hielden.

Het ruim 1000 pagina's tellende proefschrift van historica Evelien Gans is vermoedelijk een van de omvangrijkste boekwerken waarmee ooit de doctorsgraad is verkregen aan een Nederlandse universiteit. Waarschijnlijk had de dissertatie korter gekund, maar nodig is dat beslist niet. Haar diepgravende, gepassioneerde en genuanceerde behandeling van deze complexe historische materie, vormt al voldoende rechtvaardiging voor haar uitvoerigheid. Daar komt nog bij dat Gans zeer leesbaar schrijft en ondanks vele uitweidingen de lijn van haar betoog goed weet vast te houden. Weliswaar overtuigt zij mij niet altijd, maar de integere manier waarmee zij begrip vraagt voor de standpunten van personen en partijen, dwingt ook sommige inzichten te herzien dan wel opnieuw op hun waarde te toetsen. Het boek bewijst dat het loffelijke streven naar objectiviteit van een historicus, iets anders is dan het betrachten van dorre neutraliteit. Geen moment tracht deze historica haar betrokkenheid bij haar onderwerp te verhullen, maar die emotionaliteit weerhoudt haar er niet van individuen en groepen aan een genuanceerde heldere historische analyse te onderwerpen. Dat is zonder meer een belangrijke verdienste.

Evelien Gans: De kleine verschillen die het leven uitmaken. Een historische studie naar joodse sociaal-democraten en socialistisch-zionisten in Nederland.

Vassallucci, 1040 blz. ƒ69,90