Het gedicht is de sleutel van de hemelpoort

Twintig jaar geleden debuteerden kort na elkaar twee dichters van een jaar of vijftig: Jan Eijkelboom en Ed Leeflang. Ze hadden onmiddellijk succes bij het publiek, ondanks de wat zuinige kritiek. Het waren de hoogtijdagen van de zogeheten autonome poëzie, poëzie die vooral over de taal en het dichten zelf ging. Zo niet die van Eijkelboom en Leeflang, die een herkenbare werkelijkheid opriep – wat in het jargon van destijds anekdotisch heette – en waaruit een bepaald (melancholiek) levensgevoel sprak.

De heerschappij van de autonome gedichten is voorbij, de verzen van Eijkelboom en Leeflang zijn er nog. Het hooggeminachte publiek had gelijk. Van Leeflang verscheen deze zomer een bloemlezing uit de zeven bundels die hij in die twintig jaar publiceerde: Sleutelbos. Hieruit blijkt dat Leeflangs poëzie in al die tijd niet wezenlijk veranderd is. Hij begon kennelijk pas toen hij zijn toon en stijl gevonden had.

Constanten in deze ritmische poëzie zijn de alom aanwezige natuur van tuin of buitenstedelijk gebied, een licht bespiegelend observeren en een hang naar stilte en naar overzichtelijkheid zoals die spreekt uit Leeflangs liefde voor klassieke muziek. Toch is er wel een verschuiving te bespeuren: de gedichten worden wat losser en de woordkeuze steeds subtieler. Het is dan ook alleszins begrijpelijk dat Leeflang relatief veel uit de laatste bundels heeft opgenomen.

`Sleutelbos' is een mooie titel, die de suggestie wekt dat de gedichten sleutels zijn. In de laatste bundel beschrijft de dichter hoe hij schaatst `via wazig Marken naar het vage Volendam // op net geslepen lage noren, over in stilte / galmend ijs'. En, zo vervolgt hij, `de lucht potdicht en zonder sleutels'. Zonder sleutels op zak schaatst het ongetwijfeld makkelijker. Je kunt je echter niet aan de indruk onttrekken, dat het gedicht zelf een sleutel is waarmee je de hemel kunt openen om er een blik in te werpen.

En niet alleen de hemel. In een van de gedichten die lijken te gaan over een zwakzinnige dochter (ik tikte hier eerst `zwakzonnige dichter' – bestaan er ook freudiaanse vertikkingen?) zitten dichter en dochter aan een dijk:

Zwart paalwerk kamt het water.

Ik kus haar. Zij ontwijkt.

Niets hoeft vergoed. Ruilhandel

onbekend

In haar gesloten rijk.

Ook dit gedicht heeft veel weg van een poging iets te ontsluiten, het gesloten rijk van zwakzinnigheid waarin de dichter elders eveneens probeert door te dringen.

Grappig is hoe de titel van deze bloemlezing op sommige gedichten doorwerkt. `Drieteenstrandloper' beschrijft de voetsporen van een vogel op het strand:

Van zijn bestaan verschijnt

het vluchtig spijkerschrift,

in scheve aanloopregels,

bijna kwatrijnen.

De drieteenstrandloper wordt dichter (of omgekeerd) en omdat een loper ook een sleutel is die op vele sloten past wordt dit gedicht meer dan tevoren poëticaal. Waarmee nog eens geïllustreerd is hoe betrekkelijk dat onderscheid tussen autonoom en anekdotisch eigenlijk was.

Dat oude bezwaar van het anekdotische in Leeflangs poëzie is overigens niet helemaal uit de lucht gegrepen. Soms krijgt de lezer inderdaad weinig meer dan een stemmig tafereel voorgeschoteld, voorzien van een bedekte les. Het plotse verschijnen van de ijsvogel brengt de dichter in jubelstemming; een paar bladzijden later duikelt een kraai het fluitekruid in om hinkend tevoorschijn te komen in een vers dat niet voor niets `Laatste embleem' heet.

Maar laat ik niet die prachtige gedichten vergeten te noemen, zoals `Late zwemmer':

Voorbij de derde bank houd ik mij

drijvend,

flauw watertrappend en niet moe.

Er loopt een deining, hoog en sloom,

Waarop wat vogels stijgen en

verdwijnen.

De zee haalt met die deining haar schouders op voor de nietige zwemmer ver uit de kust, een zwemmer die, in de laatste regels weer op het strand gekomen, huivert. Niet alleen van kou – vooral voor de kosmische onverschilligheid van de natuur.

In `Papierbak' peinst de dichter over de vraag of al dat oude papier niet verkocht moet worden ten behoeve van muziekamateurs die in een oude school dan een requiem kunnen instuderen. Het heeft iets onbedoeld reviaans (ik bedoel: bokking eten van een oude krant, lof op de aardappel), maar voor de kracht van de slotregels maakt dat niet uit:

te zingen onder vette ringen van een

gymzaal,

te zingen waar de bok nog bij het

wandrek staat.

Zulke regels lijken bekend voor te komen, al bij eerste lezing. Ze zijn meteen klassiek.

Ed Leeflang: Sleutelbos. Gedichten uit zeven bundels.

De Arbeiderspers, 111 blz. ƒ25,-