Gras eten met Simon Wiesenthal

Channa gaat naar school terwijl thuis de zachtgekookte eieren langzaam van de ramen glijden. Haar vader had weer eens een driftaanval. Hij doet wel vaker vreemd. Als hij in de bioscoop beelden van het concentratiekamp Buchenwald ziet, springt hij op en schreeuwt: `Wat een rotkamp, de lijken liggen schots en scheef over elkaar, bij ons was dat veel beter.' Channa's vader zat in de oorlog in kamp Mauthausen.

In haar debuutroman In april was het gras op beschrijft Ruth Feigenbaum (1952) een gezinsleven dat volledig wordt gedomineerd door oorlogstrauma's. Dochter Channa is van na de oorlog, maar ook zij krijgt van huis uit een fors trauma mee. Feigenbaum zet helder op een rij waar het trauma van Channa, een typisch tweede-generatieslachtoffer, vandaan komt.

`Bij ons thuis was alles anders dan bij de mensen om ons heen', zegt Channa. Haar ouders hebben vaak slaande ruzie en Channa moet bemiddelen: `Het waren de tijden dat ik erg belangrijk was.' Het kampverleden heeft nog altijd invloed op alle aspecten van het dagelijks leven. Vader blijft urenlang onder de douche staan om `de luizen' weg te spoelen, `maar ook de lijken, die eigenlijk zijn echte familie zijn.' Met kerst blijft hij mokkend met een mutsje op in bed liggen. Hij haat de kerstversiering omdat `ze in het kamp de boom met de lijken aanstaken.'

Wat het leven in het gezin ook zo anders maakt, is de hiërarchie van het leed die heerst. Het grootste slachtoffer heeft het meeste te vertellen. Vader vindt dat hij zich overal onaangepast mag gedragen omdat hij in het kamp heeft gezeten. Moeder zat in het verzet en verwijt haar man spottend dat hij zich als een `moederkindje' heeft laten deporteren. Feigenbaum schrijft: `thuis telde je alleen mee als je ziek of gestoord was, of in het kamp of het verzet had gezeten'.

Channa schippert tussen het verknipte leven binnenshuis en het gewone leven daarbuiten. Dolgraag zou ze deel uitmaken van de normale wereld, met een normale, christelijke naam en met ouders voor wie ze zich niet hoeft te schamen. Tegelijkertijd voelt ze zich buitengesloten van de wereld waarin haar ouders leven. De wereld van vroeger.

De ouders kennen slechts twee soorten verhalen. Over de oorlog, toen `niemand gelukkig was en iedereen stierf' of over de tijd vòòr de oorlog, toen `iedereen vanzelf gelukkig werd en niemand doodging'. De beste passages in de roman zijn die waarin Channa fantaseert dat ze ook meespeelt in die verhalen. Zo doet ze toch een beetje mee in de wereld van haar ouders. Ze geeft zichzelf in dit soort dagdromen wel steeds de rol van buitenstaander. De gedroomde rol van kampslachtoffer gaat haar toch te ver.

Deze tweeslachtigheid, de wens om een normaal kind te zijn en de wens om deel uit te maken van de wereld van de rare ouders, weet Feigenbaum scherp te belichten door de verhalen uit de kinderjaren van Channa te vermengen met een verslag van een reis naar Israel ten tijde van de Golfcrisis. Door de oorlogsdreiging, de gasmaskers, de moord op twee Israelische jongens, en de vermissing van haar eigen kind, kan Channa voor het eerst een beetje ervaren wat haar ouders hebben meegemaakt. Maar terwijl haar vader helemaal opleeft (`Oorlog, ziekte en crisis, dan is hij op zijn best') wil een paniekerige Channa zo snel mogelijk terug naar Nederland. Ze is beschaamd dat ze zo'n angsthaas is en heeft een hernieuwd respect voor haar ouders die veel meer hebben doorstaan.

In april was het gras op is weliswaar het zoveelste boek over de oorlog, maar Feigenbaum toont aan dat dit thema nog lang niet is uitgeput. Door vooral te beschrijven en nauwelijks te analyseren of te filosoferen weet ze voelbaar te maken hoe het is om tweede-generatieslachtoffer te zijn. De zware thematiek behandelt ze licht, nuchter en met veel humor. Zo slaat de titel op een grappig verhaal dat Channa's vader vertelt. Hij komt op een herdenking nazi-jager Simon Wiesenthal tegen. De twee kennen elkaar nog uit het kamp. Wiesenthal zegt: `Itzik, jij weet het toch nog. In april aten we gras.' Vader antwoordt: `Nee Sjimme, je vergist je, in april was het gras op.'

Ruth Feigenbaum: In april was het gras op. Podium, 157 blz. ƒ29,90