Een verscheurende papierwolf

Marcel Reich-Ranicki, in zijn openbare optredens zelf toch vaak een beetje melodramatisch, pleit al jaren voor een onpathetische stijl. Auteurs die deze Duitse criticus respecteert, schrijven boeken die even duidelijk zijn als onnadrukkelijk. Marcel Reich-Ranicki over Hilde Spiel: `Want Hilde Spiel schrijft met benijdenswaardige helderheid en precisie, haar stijl is even lieflijk als natuurlijk, en alles schijnt zonder enige inspanning te zijn ontstaan.' Marcel Reich-Ranicki over Peter Bichsel: `Zijn verbluffend consequente onopdringerigheid laat ons nooit koud, zijn stilte alarmeert.'

O wee wanneer een schrijver die opvallende onopvallendheid nìet voor elkaar krijgt. Ruikt Reich-Ranicki ook maar de geringste gekunsteldheid, dan reageert hij alsof hij door een horzel is gestoken. Een boek waar Marcel Reich-Ranicki niet doorheen is gekomen verwijst hij met veel vertoon naar de prullenbak.

In 1995, op de omslag van het weekblad Der Spiegel, scheurde hij zo'n boek zelfs in tweeën. Günter Grass' roman Ein weites Feld, zo lichtte hij in zijn recensie bij de fotomontage toe, was `onleesbaar en waardeloos', ja `geheel en al mislukt' - en de gekrenkte Günter Grass verbood Der Spiegel prompt de afdruk van een al met hem gemaakt interview. Lezers bestormden het redactiegebouw; prominente publicisten vergeleken `de verscheurende papierwolf' met boekenverbrandende nazi's.

Kortom: Marcel Reich-Ranicki wordt gehaat en bewonderd en die voor elke criticus begeerlijke status verwierf hij door zijn strenge literaire criteria. Nu heeft hij zelf een boek geschreven in een genre dat we als literatuur kunnen beschouwen, het genre van de autobiografie. Voldoet de autobiografie Mein Leben aan de criteria van Marcel Reich-Ranicki? Het meest geslaagde gedeelte zeker. Het minder geslaagde gedeelte zeer zeer zeker niet. Ook voor Marcel Reich-Ranicki geldt dat schrijven zonder overdrijving alleen maar lukt wanneer men heel gedreven is.

En dat is de 79-jarige vooral zodra hij het over de oorlogstijd heeft. Met de kalmte van iemand die zijn best doet om zich te beheersen herinnert hij zich de ondergane vernederingen in het getto van Warschau. `Kwam een jood een geüniformeerde Duitser tegen, dan moest hij onmiddellijk voor hem wijken. Die regel was klaar als een klontje. Niet opgehelderd was echter de vraag hoe een jood zich verder tegen een Duitser moest gedragen: moest hij hem de Hitlergroet brengen? Ik heb dat een keer niet gedaan en werd prompt door de soldaat, die niet ouder was dan ik, in elkaar geslagen. Een andere keer heb ik, om de verwachte afranseling te voorkomen, een soldaat heel netjes gegroet [-]. Maar de jonge Herrenmensch brulde mij toe: `Ben jij mijn kameraad, dat jij mij groet?' - en roste er krachtig op los.'

Geweerschoten

Dat er in het getto van Warschau werd geleden, is geen nieuws. Nieuw is dat Reich-Ranicki het lelijke steeds verbindt met het mooie. Loopt Marcel door een straat vol lijken, dan laaft hij zich in gedachten aan Beethovens Pastorale. Wil hij de geweerschoten even niet horen, dan leest hij hardop gedichten. Samen met zijn vriendinnetje. `Zij wilde mij voor de Poolse poëzie winnen, ik wilde haar tot de Duitse lyriek bekeren en verleiden. Zo wonnen wij elkaar, en af en toe onderbraken wij onze lectuur.' Het zijn eenvoudige woorden voor een grote liefde. Nog steeds is Marcel Reich-Ranicki met dat vriendinnetje samen. Aan Teofila, die hij leerde kennen op de dag dat haar vader zichzelf in het getto verhing, heeft hij zijn boek opgedragen.

Tegenover de haat staat de liefde en tegenover de hel van het Duitse barbarendom staat de hemel van de Duitse cultuur. Schiller, Goethe en Lessing, Heine en Erich Kästner. Als meer Duitsers in hun geest zouden hebben gehandeld, zou het nationaal-socialisme er nooit zijn geweest, suggereert Reich-Ranicki, die de minder humanistische tak van de Duitse letterkunde maar liever buiten beschouwing laat. De Duitse cultuur – ach, die werd de kleine Marcel met de paplepel ingegoten. Zijn moeder, de dochter van een Berlijnse rabbijn, haalde haar citatenschat uit de Duitse klassieken en niet uit de Torarollen. Hoewel zij en haar Pools-joodse man in Wloclawek, Polen, woonden, stuurden ze hun zoon naar een Duitse school. In 1929, Marcel was toen negen, nam de moeder haar gezin mee terug naar Berlijn. Op het gymnasium was Marcel in Duits al gauw de beste – niet alleen omdat hij van dat vak hield, maar ook omdat hij zich wilde wreken op klasgenoten die hem met zijn anderszijn pestten.

De Duitse cultuur is voor Marcel Reich-Ranicki altijd een toevluchtsoord geweest èn een plek waar hij zich als jood moest bewijzen: een plek vol valkuilen en gemene gevaren. Niet dat hij het zelf zo scherp stelt, want aan lastige paradoxen heeft Reich-Ranicki een hekel. `Onzekerheid', zei hij eens tegen een interviewster, `vecht ik uit met mezelf, en dan treed ik de lezer tegemoet met de zekerheid die voor een criticus onontbeerlijk is.' Ook als autobiograaf klampt Reich-Ranicki zich vast aan die zelfverzekerde rol. Omdat hij twijfel als een aangelegenheid ziet waarmee je het publiek niet mag vervelen, komt hij naar buiten met gedachten waaruit elke tegenstrijdigheid is verwijderd – en daarmee de reflectie. Andere autobiografen, zoals Elias Canetti in Die Fackel im Ohr of Günter de Bruyn in Vierzig Jahre, stellen zichzelf moeilijke vragen. Voor Reich-Ranicki echter zijn vragen slechts middelen om de lezer bij de les te houden. Dat stoort nog nauwelijks in de twee eerste delen van het vijfluik Mein Leben, want die delen gaan over de jeugd, waarin men hoe dan ook ontvankelijk is en veel ontdekt, en dat, in Marcels geval, in extreme omstandigheden.

Normaliteit

Maar na de jeugd komt de volwassenheid en na het getto van Warschau komt zoiets als de normaliteit. En eenmaal daar aangeland is het snel gedaan met de gedrevenheid van de verteller. De hoofdstukken over zijn carrière, in Polen en, vanaf 1958, in Duitsland, lijken slaapverwekkend sterk op elkaar – om het even of zij zich afspelen bij het maandblad Twórczosc, het weekblad Die Zeit, het dagblad Frankfurter Allgemeine of de televisietalkshow `Literarisches Quartett'. Reich-Ranicki tracht de wapenfeiten af te wisselen met anekdotes over schrijvers die hij voor zijn werk heeft ontmoet, maar meer dan dat die schrijvers enorme ijdeltuiten zijn heeft hij niet te melden. Wie iets zinnigs te weten wil komen over Bertolt Brecht, Heinrich Böll, Thomas Bernhard, enzovoorts enzovoorts, die leze Reich-Ranicki's voortreffelijke kritieken, essays en portretten zoals gebundeld in Lauter Verrisse, Lauter Lobreden en Über Ruhestörer.

Het is verbazingwekkend dat een man die anderen wil doorgronden als hij over hen schrijft zo weinig moeite doet om zichzelf tijdens het schrijven te leren kennen. Een problematische episode als zijn werk in de centrale van Polens geheime dienst rechtvaardigt hij met een gevoel waarvan we nog niks hadden gemerkt: zijn sympathie voor de communistische gedachte. `Die had voor mij, net als voor vele intellectuelen niet alleen in Polen maar ook in Frankrijk, in Italië en andere West-Europese landen, iets onweerstaanbaars.' Gedachte uitgedacht. Punt.

Moet een autobiografie een bekentenis zijn? Misschien is dat een al te christelijke eis, gevoed door generaties sensatiezuchtige biechtvaders en een ziekelijk zondebesef. En toch: een goede zelfbeschrijver pakt zijn hoofdpersoon stevig aan. Want alleen door in de krochten van zijn ziel af te dalen werpt hij licht op de duisternis van zijn tijd. Marcel Reich-Ranicki, die als geen ander door de duisternis van zijn tijd werd getroffen, blijft liever aan de oppervlakte. Intimiteiten bewaart hij voor intimi en over zijn liefdesleven, zo gruwelijk mooi geschilderd in het getto-hoofdstuk, houdt hij discreet zijn mond. Steeds vaker herhaalt hij zijn inzichten (`literatuur kan zonder kritiek, maar kritiek kan niet zonder literatuur') en al die herhaling doet geen recht aan zijn ideaal van onnadrukkelijkheid.

Alleen waar zijn rust wordt verstoord door vermeende of waarachtige antisemieten, daar herkennen we iets van de dwingende eenvoud uit het begin van Mein Leben. Marcel Reich-Ranicki windt zich op over degenen die het Holocaust-monument niet willen en hij haalt uit naar Martin Walser en diens rede uit 1998: `Zijn koppige afwending van de nationaal-socialistische misdaden was, of hij dat nu wilde of niet, een oproep tot het imiteren van zijn gedrag.' Onpathetisch maar onmiskenbaar lucht hier iemand zijn hart. Had hij dat maar het hele boek door gedaan: de opdringerigheid van de plichtmatige stukken was ons dan vast bespaard gebleven.

Marcel Reich-Ranicki:

Mein Leben.

DVA, 566 blz. ca. ƒ57,30

    • Anneriek de Jong