De vuilnisman komt alleen in West

In 1980 ontwikkelde de toenmalige burgemeester van Jeruzalem, Teddy Kollek, een plan om 17.000 appartementen te bouwen in Oost-Jeruzalem. Dat was een revolutie. In Palestijns Oost-Jeruzalem, het stadsdeel dat Israel in 1967 op Jordanië had veroverd, had de overheid in dertien jaar geen enkel huis gebouwd voor Palestijnen. In het joodse, westelijke stadsdeel, waren complete wijken uit de grond gestampt, met bioscopen, crèches, parken en winkelcentra. Aangezien Jeruzalem een politiek gevoelige stad is, moet de burgemeester elk bouwplan voorleggen aan een nationale raad die is samengesteld uit hoge functionarissen van Israels ministeries. Elk besluit over Jeruzalem is een regeringsbesluit.

Die raad, volgens de auteurs van Separate and Unequal; the inside story of Israeli Rule in East Jerusalem, `berucht in het tegenhouden van projecten in Palestijnse wijken', dwong Kollek om het voorgestelde aantal appartementen te verminderen tot 7.500. Een groot braakliggend deel van de Palestijnse wijk moest worden vrijgemaakt voor huizen voor joden. Bijna twintig jaar later zijn de joodse huizen inderdaad gebouwd, tot woede van de Palestijnen die hun grond geconfisqueerd zagen. De eerste paal voor het eerste Palestijnse huis moet nog steeds de grond in. Daarvoor is een gedetailleerd bestemmingsplan nodig, en dat is nog altijd niet goedgekeurd. Zonder dat bestemmingsplan kunnen Palestijnen die het vertrouwen in de plannen van de gemeente allang hebben verloren, al twintig jaar lang zélf ook niet bouwen.

Het is maar één van de voorbeelden van de manier waarop Jeruzalem zijn Palestijnse bewoners discrimineert, met als doel hen de stad uit te werken. Linkse Israelische vredesactivisten, buitenlanders en Palestijnen klagen al jaren dat Oost-Jeruzalem wordt achtergesteld. Doorgaans ontkent de gemeente dat of wappert met oude, nooit-uitgevoerde bouwplannen om zulke `politiek gemotiveerde leugens' te ontzenuwen. Het is daarom verfrissend om het nu eens te horen uit de mond van twee voormalige medewerkers van ex-burgemeester Kollek en de huidige burgemeester zelf, Israeliërs die jarenlang hoge posten hebben bekleed in het gemeentehuis – en die hun verhalen staven met interne documenten en cijfers die anders angstvallig binnenskamers worden gehouden.

Riolering

De auteurs schrijven hun verhaal niet omdat ze zich identificeren met de Palestijnse zaak, of omdat ze vinden dat Israel zijn greep op Oost-Jeruzalem moet opgeven. Integendeel, ze denken juist dat Israel zichzelf in de vingers snijdt door de achterstelling van de Palestijnen: `Als de Palestijnen in Jeruzalem waren behandeld als de Israeliërs in Jeruzalem, had Israel hun misschien enige positieve gevoelens voor het land bij kunnen brengen'. Omdat Israel al drie decennia lang `alles doet om de Arabieren in Oost-Jeruzalem aan te moedigen, en soms te dwingen, de stad te verlaten', en tegelijkertijd ongebreidelde bouw voor Israeli's aanmoedigt, blijft Israels claim dat Jeruzalem de verenigde, eeuwige hoofdstad van Israel is, een loze kreet.

De suggestie dat de Palestijnen het Israelische gezag zouden omarmen als ze evenveel riolering, bioscopen, postbodes en huizen hadden gekregen als de Israeliërs, is betwistbaar. Dat je Palestijns nationalisme kunt uitroeien met enkel een goede gemeentelijke service, is een illusie en een onderschatting van een politiek probleem dat diepe historische wortels heeft. Zelfs Palestijnen die Israeliër zijn geworden (eenvijfde van de bevolking), en die veel beter worden behandeld dan de Palestijnen in Jeruzalem, houden een haat-liefdeverhouding met het land. Israel bezette in 1948 hun grondgebied, en zelfs Arabische leden van de Knesset zullen dat nooit vergeten – deels omdat Israel het zelf wél graag vergeet.

Veel Palestijnen in Jeruzalem gebruiken de schandalige behandeling die ze krijgen momenteel als een politiek argument tegen de Israelische bezetting. Op het moment dat Israel behandeling om strategische redenen verbetert, vinden ze wel andere argumenten. De intifadah heeft uitgewezen dat biefstuk-socialisme voor de Palestijnen maar met mate werkt: financieel hadden ze het nooit zo goed als toen. Maar ook een aardige bezetter blijft voor hun een bezetter.

Dat neemt natuurlijk niet weg dat betere service de Palestijnen zeer welkom zou zijn. Het is ook waar dat zo'n verbetering van de leefomstandigheden de spanning in de stad zou doen afnemen en het contact tussen Oost en West zou bevorderen. Voor een Palestijn is het leven in Jeruzalem nu nog een dagelijkse martelgang. Separate and Unequal geeft daarvan schrijnende voorbeelden. Israeliërs die jaren in het buitenland studeren, kunnen altijd in de stad terugkeren. Een Palestijn die hetzelfde doet, krijgt geen nieuwe `stadspas' – al woont zijn familie al generaties lang in de stad – en wordt verbannen naar de Westelijke Jordaanoever. Eenderde van Oost-Jeruzalem is inmiddels volgebouwd met joodse wijken. Bijna de helft van het terrein is door de gemeente geconfisqueerd. De meeste grond wordt gebruikt voor nieuwe wijken voor Israeliërs, waar `personen die niet in het leger kunnen dienen' niet mogen huren of kopen. Tot die personen behoren strikt genomen ook ultra-orthodoxen, maar die kunnen zich wél in die wijken vestigen, evenals niet-joodse buitenlandse journalisten. De regels worden alleen op Arabieren toegepast. Een Palestijn die kan bewijzen dat een huis in West-Jeruzalem vóór 1948 zijn eigendom was, heeft geen recht dat huis terug te claimen. Een jood die kan bewijzen dat een huis in Oost-Jeruzalem vóór 1948 in zijn bezit was, krijgt het huis wel toegewezen, al moet er een Palestijnse familie voor op straat worden gezet.

Er is meer. Palestijnen betalen dertig procent meer voor elektriciteit dan Israeliërs. In West-Jeruzalem zijn sportcentra, zwembaden, kinderparken en bioscopen. In Oost-Jeruzalem heeft de gemeente één zwembadje aangelegd en een betonnen veld met twee basketbalnetten. De wegen in West zijn goed, overal zijn stoepen, er is kabeltelevisie. In Oost-Jeruzalem zijn nauwelijks stoepen, de wegen zitten vol gaten en de bewoners moeten schotelantennes kopen om televisie te kunnen kijken. In veel wijken in Oost-Jeruzalem is al dertig jaar geen vuil opgehaald. Wie er de politie belt voor een inbraak, wacht tevergeefs. Uit frustratie bouwen veel Palestijnen illegaal, dumpen hun vuil in West-Jeruzalem en zijn ook in andere vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid meesters geworden. Ongelooflijk dat sommigen nog steeds naar het gemeentehuis gaan om een bouwvergunning aan te vragen.

Verwaarlozing

Het argument dat de gemeente vaak gebruikt om die verwaarlozing – zo ze die al toegeeft – te verklaren, is dat haar personeel door de Palestijnen wordt aangevallen. Dit gebeurde zeker tijdens de intifadah, toen ambulancepersoneel en belastinginspecteurs stenen en flessen naar hun hoofd kregen. Maar de intifadah brak uit in 1987, twintig jaar nadat Israel Oost-Jeruzalem had bezet. Volgens de auteurs van Separate and Unequal deed de gemeente ook zónder Palestijnse stenen van 1967 to 1987 niets voor Oost-Jeruzalem.

Toch zijn er in het stadhuis tientallen studies geproduceerd met de bedoeling het lot van Oost-Jeruzalem te verbeteren. Burgemeester Kollek en zijn opvolger Ehud Olmert praten onophoudelijk over projecten voor de Palestijnen. Zij willen volgens de auteurs alles doen om verdere desintegratie van de stad te voorkomen. Nu al zijn er nauwelijks contacten tussen beide stadsdelen. Het zijn twee werelden, met een zesbaans snelweg ertussen.

Het probleem voor de burgemeester is dat het leeuwendeel van het stadsbudget aan Israelische projecten wordt uitgegeven. Afdelings-directeuren wijzen de burgemeester er steeds op dat ontwikkeling in Oost ten koste gaat van ontwikkeling in West (en de ontwikkeling van joodse wijken in Oost-Jeruzalem). En dat is in Israel anathema. Kollek deed ooit een poging om binnen elke gemeentelijke afdeling een deel van het budget te reserveren voor Oost en een ander deel voor West, zodat er tenminste iets voor Palestijnen overbleef. Maar dat plan strandde op politiek verzet: het zou er immers op duiden dat de gemeente beide stadsdelen gescheiden behandelt, wat op gespannen voet zou staan met de slogan van de `ongedeelde hoofdstad'.

Het beeld dat dit boek schetst is somber. De toekomst lijkt evenmin rooskleurig. De auteurs beweren dat ze hebben geprobeerd het onrecht jegens de Palestijnen recht te zetten – zij het met voor de Palestijnen misschien bedenkelijke, want zionistische motieven. Op het gemeentehuis is hen dat niet gelukt. Zij zijn niet de eersten die verhaal halen met een boek: Kolleks loco-burgemeester, Meron Benvinisti, deed in City Of Stone (1997) al verslag van de misstanden in Oost-Jeruzalem. De gemeente en Israels top-politici zijn op de hoogte van de situatie. De meeste Israeliërs hebben er geen idee van, en willen het ook niet weten. Er is in Israel geen debat over deze kwestie, wat de Palestijnen enige grond geeft voor hun klacht `dat Israel alleen een democratie is voor joden'. Het is een veeg teken dat beide boeken slechts in het Engels zijn verschenen, en niet in het Hebreeuws. Kennelijk is er in Israel nog steeds geen markt voor.

Amir S. Cheshin, Bill Hutman en Avi Melamed: Separate and Unequal. The Inside Story of Israeli Rule in East Jerusalem. Harvard University Press, 275 blz. ca. ƒ88,-