De pers moet Argentinië realistisch tegemoettreden

Het vaderland van de nieuwe vriendin van de kroonprins roept bij velen herinneringen op aan het repressieve bewind onder leiding van juntaleider Videla. Maar datzelfde vaderland heeft min of meer afgerekend met het verleden en probeert de blik op de toekomst te richten. Die beslissing dient gerespecteerd te worden, vindt H.Ph. Vogel.

De berichtgeving over Argentinië in de Nederlandse pers naar aanleiding van de vriendschap van de kroonprins met srta. M. Zorreguieta is tot dusverre grotendeels gekleurd door onkunde (waarbij ook de clichés over de tango uit de kast worden gehaald) en vooroordelen. Ten eerste, dat uitsluitend de militaire junta van Generaal Jorge Videla (1976-1981) schuldig is aan grootscheepse schendingen van de rechten van de mens, waarbij mogelijk tussen de 10.000 en 30.000 personen zijn gedood. Ten tweede, meer impliciet, dat Argentinië een corrupt en in wezen ondemocratisch land is, met een grote sociale ongelijkheid.

Al meer dan honderd jaar is Argentinië het rijkste en best ontwikkelde land van Latijns Amerika. Een eeuw geleden had het een hoog ontwikkeld politiek systeem, dat zeker niet minder `democratisch' was dan het toenmalige Nederlandse bestel. Nederland en Argentinië hebben bijvoorbeeld beide ongeveer tegelijkertijd het algemeen kiesrecht voor mannen ingevoerd, Argentinië was daarmee zelfs iets eerder (1912). Sinds die tijd heeft het land helaas enkele regeringen gehad die het met de democratische rechten van de burgers niet zo nauw namen.

Tot die regeringen behoorden ook de presidentiële termijnen van luitenant-generaal Juan D. Perón (1946-1955 en 1973-1974) en die van zijn weduwe, Isabel Perón (1974-1976). Hoewel Perón in het begin van zijn politieke loopbaan ongetwijfeld goede bedoelingen heeft gehad en aan de verwezenlijking daarvan enthousiast is begonnen, bleek al snel dat hij een opportunist was die in een schijnwereld leefde. Samen met het leger, de kerk, de industriëlen, de vakbonden en de middenklasse wilde Perón Argentinië groot, sterk en autarkisch maken met een brede industriële basis. De opzet was ambitieus, maar de uitwerking mislukte, zowel door toedoen van de internationale conjunctuur als door binnenlandse omstandigheden. Uiteindelijk liet Perón, toen hij in 1955 werd afgezet, een chaos achter.

Vanuit zijn ballingsoorden dirigeerde Perón een gewapende oppositie, die al in 1958 de eerste gewelddaden pleegde. In 1973 was de binnenlandse situatie zo verslechterd, dat een algehele burgeroorlog nabij leek. Omdat alleen Perón redding leek te kunnen brengen mocht hij terugkeren uit ballingschap. Eenmaal terug in het zadel (gekozen met 60 procent van de stemmen) gaf Perón opdracht aan leger en politie om hardhandig maar heimelijk af te rekenen met de gewapende linkervleugel van zijn eigen peronistische partij, de zogeheten Montoneros. Argentinië beleefde een Nacht und Nebel-periode die meer dan vijf jaar duurde (tot circa 1980). In het holst van de nacht werden mensen van hun bed gelicht en weggevoerd. De meesten verdwenen spoorloos. Hier en daar werd ook openlijk en bij klaarlichte dag gevochten, zoals in 1975 toen het leger afrekende met een trotzkistische plattelandsguerrilla in de provincie Tucumán. Intussen verslechterde de economie en de inflatie schoot naar ongekende hoogten. Isabel, de tweede vrouwelijke president in Latijns Amerika, was volslagen incompetent. Zij had een soortgelijke louche entourage als haar in 1974 overleden echtgenoot. Onder Isabel leek de Argentijnse samenleving op een totale desintegratie af te stevenen. Weliswaar was de strijd tegen de linkse guerrillabewegingen goeddeels gewonnen, maar het bestuur en de economie waren zeer ernstig aangetast. De peso was nauwelijks nog iets waard en ook morele normen en waarden moesten het onderspit delven.

In dat onzekere klimaat hoopten velen op een interventie van de strijdkrachten om de situatie te normaliseren. Toen leger, marine en luchtmacht op 24 maart 1976 mede op aandringen van belangrijke sectoren uit de burgermaatschappij een staatsgreep pleegden, was een groot deel van de publieke opinie hen goedgezind. Ook vanuit het buitenland (VS, West-Europa) werd de machtsovername verwelkomd als gewenst en noodzakelijk. Gesterkt door deze steun besloot de militaire junta de strijd tegen wat nog restte van de guerrilla met verdubbelde energie aan te pakken, om het land voor eens en voor altijd te bevrijden van het péronisme in al zijn verschijningsvormen. De zaak werd zo breed aangepakt, dat ook talloze onschuldigen werden opgepakt en vermoord, vaak verraden door eigen leiders die onder één hoedje speelden met leger en politie. De publieke opinie werd onderwijl gesust met een orthodox monetaristisch beleid waarbij de waarde van de peso kunstmatig hoog werd gehouden. Maar aangezien niemand werkelijk vertrouwen had in het beleid, werd er volop gespeculeerd, waardoor Buenos Aires in één groot openluchtcasino veranderde.

De militairen zijn zonder meer schuldig aan grootscheepse schendingen van de mensenrechten, maar zij zijn niet de enige schuldigen. Zij hebben in feite `het karwei afgemaakt' dat Perón was begonnen. Dat de militairen daarbij ver buiten hun boekje zijn gegaan en een oorlog tegen de eigen bevolking hebben willen voeren, is zonder meer waar. Maar de strijdkrachten werden daarbij lange tijd gesteund door de kerk, het bedrijfsleven, grote delen van de middenklasse, en ook door de regeringen van de VS en tal van andere westerse landen. Nederlanders moeten vooral niet vergeten dat ook het Nederlandse bedrijfsleven (de toenmalige Amro-bank, Gasunie, Boskalis) graag zaken heeft gedaan met het militaire bewind in Argentinië, ook toen in de pers al lang en breed berichten verschenen over de excessen in de strijd tegen de `subversie'.

De leiders van de junta zijn inmiddels berecht en veroordeeld en hebben hun straf uitgezeten. Indertijd is besloten alleen de top aan te pakken en alle anderen die bevelen hebben uitgevoerd, ongemoeid te laten. Dat is geheel in overeenstemming met de praktijk van `Neurenberg' in 1946. De Argentijnse samenleving heeft dus min of meer afgerekend met het verleden en probeert de blik op de toekomst te richten. Het zou een blijk zijn van gezond verstand als Nederlanders die beslissing zouden respecteren.

Argentinië verdient het om door de Nederlandse pers met gevoel voor realiteit te worden behandeld. Wat ook verder de toekomst zal zijn van het affectieve leven van de kroonprins, het vaderland van zijn huidige vriendin kan niet en mag niet worden beschreven met behulp van karikaturen en stereotypen. Het Nederlandse volk moet de prins misschien wel dankbaar zijn dat hij hun de gelegenheid biedt, mogelijk zelfs ertoe dwingt, om nuchter en onbevangen naar een onbekend en exotisch deel van de wereld te kijken.

H. Ph. Vogel is verbonden aan de vakgroep Talen en Culturen van Latijns Amerika van de Universiteit Leiden.

    • H.Ph. Vogel