De onbetaalde rekening van de jaren zestig

Twee voor de prijs van één was ons beloofd. De een kwam uit de staat met de grootste watermeloenen van Amerika. Zijn partner heette nu eens `Clinton', dan weer `Rodham', en uiteindelijk `Rodham-Clinton'. Ze wilde niet voor `het vrouwtje' uit het lied van Tammy Wynette worden aangezien. Ze was juriste en gold als deskundige op het gebied van kinderrecht: een moderne vrouw met een eigen carrière. Nadat haar partner tot president was gekozen, stortte ze zich daarom op de hervorming van de gezondheidszorg. Het werd een fiasco, maar dat was het punt niet. Ze had, zei de president, een moreel kompas als geen ander in Amerika. Dat wakkerde het echtelijk vuur weer aan: op de drempel van haar vijftigste dacht ze hardop na over een tweede kind. Al dan niet geadopteerd.

Nauwelijks daarvan bekomen, hoorden we over een rechtse samenzwering van ongekende proporties. Vervolgens bleek haar echtgenoot een vos met oude streken. Maar wat wilde je, zei ze, met zo'n moeder. En zo'n grootmoeder. Ze was en bleef zijn trouwste supporter. Ze klapte haar handen blauw. Als een echte cheerleader, zou je zeggen, als dat niet zo'n ouderwets woord was.

De eerste twintig jaar van hun huwelijk had hij het voor het zeggen gehad, gaf hij toe. Daarom zou hij zich van 2000 tot 2020 opofferen voor háár loopbaan. Ze werkt nu al weer maanden aan haar kandidatuur als senator van de staat New York. Het lijkt haar heerlijk om eindelijk zelf aan het roer te staan. En ze blijft praten over de problematische jeugd van Bill, over het vergeven van zonden, en de wenselijkheid dat haar partner met seksueel pensioen gaat.

Maar wie of wat is Hillary Rodham-Clinton? Heilige of masochiste? Feministe of traditioneel echtgenote? Koud vuur of verlegen meisje? Machiavelliste of moraliste? Verschillende auteurs geven verschillende antwoorden. De rechtse onthullingsjournalist David Brock typeerde Hillary in The Seduction of Hillary Rodham (1996) als een keurig Republikeins meisje, dat helaas in de roerige jaren zestig was gekaapt door de wildebras Bill Clinton. Op het antwoord van Carl Bernstein, de linkse Watergate-onthuller en paus-biograaf die ook al is begonnen aan een boek over Hillary, moeten we nog een paar jaar wachten. Als we de onderzoeksjournaliste en biografe Joyce Milton mogen geloven is Hillary van zowel het een als het ander, en alles tegelijk. Als representante van de jaren zestig, schrijft Milton in The First Partner, lijdt Hillary aan een kwaal die alleen bij deze generatie voorkomt: het geloof in de eigen maakbaarheid, gekoppeld aan het onvermogen om harde keuzes te maken.

Milton kan zich enigszins inleven in haar onderwerp. Ook zij worstelde in haar jeugd met de vraag of je na het huwelijk de naam van je echtgenoot moest aannemen, of je make up mocht gebruiken en of een hulp in de huishouding wel `kon'. We waren, schrijft ze, `verlamd van angst en vervuld van afschuw dat we maar een paar compromissen waren verwijderd van een leven als onze moeders'. In 1992 was Hillary daarom nog haar voorbeeld: getrouwd met een zeer succesvolle man, moeder, gerenommeerd juriste en een sociaal activiste die haar mannetje stond.

Nauwelijks twee jaar later was er van het enthousiasme bitter weinig over. De echtgenoot bleek dwangmatig overspelig, van de hervorming van de gezondheidszorg kwam niets terecht en als intellectueel viel ze door de mand. `Hoe gedetailleerder Hillary's ideeën onder de loep werden genomen, des te opvallender was het dat ze, ondanks haar reputatie van intelligente vrouw, allesbehalve uitblonk in het formuleren van heldere gedachten.'

Voor die conclusie valt veel te zeggen. Sinds haar aantreden heeft Hillary in interviews met een zekere gretigheid onderwerpen aangesneden als `de betekenis van het leven' en `de aard van zondig gedrag'. Ze trok van leer tegen zinloos geweld en de geestelijke armoede waarin de meeste Amerikanen zouden leven. Voor wie zich afvroeg waar ze haar ideeën heeft opgedaan, komt het boek van Milton als geroepen. Met bewonderenswaardige grondigheid heeft ze de oorsprong en ontwikkeling van haar denken getraceerd. Ze komt tot de slotsom dat Hillary pas onlangs haar verzet tegen het kapitalisme heeft opgegeven. Daarvoor keek ze vooral naar landen of zelfs werelddelen – Frankrijk voor de kinderopvang, Afrika voor het gemeenschapsgevoel – waar het volgens haar beter was geregeld. De kritiek op het kapitalisme mag dan zijn verdwenen, de voorliefde voor het buitenland is gebleven. Ook het jongste idee om fondsen te werven waaruit kapitaalarme mannen en vooral vrouwen kunnen putten als ze een bedrijf willen beginnen, de zogeheten micro-enterprise, deed ze op na bezoeken aan India, Zuid-Afrika, Chili en Nicaragua. In de laatste landen hebben middenstanders zelfs een gemeenschapsbank opgericht met de naam `Madres Unidos Hillary'.

Uit The First Partner doemt het beeld op van een zoekende vrouw, deels wereldverbeteraar, deels steun, toeverlaat en therapeute van haar echtgenoot. Haar carrière als juriste kwam nooit van de grond. Om rond te komen en de campagnekas van Bill te spekken, investeerde ze in onroerend goed en speculeerde ze op de termijnmarkt. Haar eenzaamheid als gouveneursvrouw in een achtergebleven staat deelde ze met zielsverwanten en collega's Vince Foster en Web Hubbell. Met de eerste had ze volgens Milton een langdurige verhouding.

Het tweede Hillary-boek, Bill en Hillary, Hun Huwelijk van Christopher Andersen, is bij verschijning alweer achterhaald. Anderhalve week geleden verraste de president door tijdens een bijeenkomst op vakantie-eiland Martha's Vineyard nieuwe details toe te voegen aan zijn kennismaking met Hillary op de universiteit van Yale. Bill blijkt haar drie weken te hebben gevolgd voordat hij haar durfde aanklampen. Drie weken stalken voordat hij over `de weergaloze meloenen' van Arkansas begon. We weten nu dat hij sindsdien aan zijn techniek heeft gewerkt.

Stanley Kaufman, de bejaarde filmcriticus van The New Republic, schreef in 1993 bij het verschijnen van de documentaire The War Room al dat we het verzadigingspunt jegens Bill Clinton hadden bereikt. De boeken van Andersen en Milton vormen daarvan het zoveelste bewijs. Meer dan 300 bladzijden over een `soms inspirerende, vaak pijnlijke, maar altijd boeiende relatie' (Andersen) zijn helaas niet inspirerend, voortdurend pijnlijk en nooit boeiend. Wie wil er bijvoorbeeld weten dat de nieuwe echtgenoot van Gennifer Flowers luistert naar de naam Finus Shellnut, dat hij `Fine-us' (`beboet ons') wordt genoemd en zijn voornaam heeft te danken aan zijn moeder, die op haar kraambed te kennen gaf dat het nu finis was.

Storend is de methode die beide schrijvers toepassen. Andersen maakt het zich in zoverre makkelijk dat hij geen enkel onderscheid wenst te maken tussen Wahrheit en Dichtung: feiten en roddels krijgen evenveel ruimte, de lezer moet maar raden waar de waarheid ophoudt en de fantasie begint. Milton gaat slinkser te werk. Evenals Andersen hangt ze de vuile was uitgebreid buiten, om er vervolgens aan toe te voegen dat de bron van de verhalen niet helemaal betrouwbaar is. Ergerlijk is ook dat ze voortdurend schrijft dat Hillary de weldadige werking van de vrije markt niet wil zien, terwijl zij zelf allang door de bocht is.

Wellicht is het wenselijk dat Hillary bijtijds haar memoires schrijft, om het beeld bij te stellen. Een titel ligt voor de hand: `Twee voor de prijs van Een'.

Christopher Andersen: Bill en Hillary Hun Huwelijk. Vertaald uit het Engels door Mariette van Gelder en Lucien Duzee, Sijthoff,

367 blz. ƒ34,90

Joyce Milton: The First Partner. Hillary Rodham Clinton. William Morrow, 434 blz. ca. ƒ65,50