De euro moet rollen

Uiteindelijk was het in tien minuten bekeken. Wim Duisenberg ging aan een tafel zitten en schreef een verklaring. De Franse president Chirac en de Duitse bondskanselier Kohl keurden de tekst goed. Deze week nauwelijks af van die waarover al uren tevoren bijna overeenstemming was bereikt. Alleen stond er met meer nadruk in dat het besluit om eerder af te treden dan zijn formele ambtstermijn van hem vroeg, aan Duisenberg zelf was.

Zo kwam na een vergadering van een half etmaal een einde aan de Europese top van regeringsleiders op 2 mei 1998 in Brussel, waar de benoeming van Wim Duisenberg tot president van de Europese Centrale Bank (ECB) werd bekrachtigd. Duisenberg had zich voorgenomen om, gezien zijn leeftijd, niet de hele termijn van acht jaar uit te zitten. Maar hij weigerde categorisch toe te geven aan de eis van president Chirac om alvast een datum vast te leggen waarop hij na vier jaar plaats zou maken voor de Fransman Jean-Claude Trichet. Wat een feest had moeten zijn, werd een ontluisterende vertoning.

De Europese Centrale Bank (ECB) is een machtige institutie. Met zijn monetaire beleid bepaalt de ECB, die op 1 januari 1999 de centrale bank is geworden voor alle elf landen die zijn overgegaan op de euro, tegen welke prijs er geld in de economie beschikbaar is. Dat is van directe betekenis voor het economische perspectief van `euroland' en voor de koopkracht van 290 miljoen Europeanen. Doordat hij onafhankelijk is van politieke besluitvorming, is de ECB in staat krachtig op te treden, zonder de cultuur van compromissen, uitstel en overleg die andere instellingen van de Europese Unie kenmerken.

Aangezien de ECB zo gezichtsbepalend is voor de Europese Unie, is het opmerkelijk dat niet een Europeaan, maar een Amerikaan het eerste serieuze boek over de ECB heeft geschreven. Matt Marshall, oud-correspondent van de Wall Street Journal in Duitsland, beschrijft in The Bank de totstandkoming van de ECB met gevoel voor dramatiek en kennis van zaken. Hij heeft goede bronnen: Marshall heeft de hoofdrolspelers in het Franse en Duitse kamp, Duisenberg en de overige directieleden van de ECB voor het boek ondervraagd.

Het is een informatief boek geworden. Marshall geeft inzicht in de opvattingen van de directieleden en ontleedt de organisatie van de ECB. Uitvoerig gaat hij in op de discussie over het monetaire beleidsinstrumentarium, die is geëindigd in een `eclectisch monetair beleid'. Dit beleid vormt de kern van de taak die de ECB is opgedragen: de zorg voor prijsstabiliteit.

Raadselachtig

Hoewel plannen voor een Europese monetaire unie teruggaan tot het begin van de Europese Gemeenschap, is de achtergrond van de versnelling waarin deze plannen eind jaren tachtig kwamen, enigzins raadselachtig geweest. Wie is er als eerste over een monetaire unie begonnen? De Duitse minister van Buitenlandse Zaken Genscher, de Franse minister van Financiën Balladur of de Franse president Mitterrand? En waarom?

André Szasz, oud-directeur van De Nederlandsche Bank, beschrijft in zijn onvolprezen boek The road to European monetary union (1999) hoe Balladur gedurende heel 1987 signalen afgaf over de noodzaak het toenmalige Europese Monetaire Stelsel te hervormen in de richting van een monetaire unie. Aan Duitse kant beklemtoont Szasz vooral de samenhang tussen de Duitse Ostpolitik en de wens om Frankrijk te vriend te houden.

Marshall legt een ander verband. Hij grijpt terug naar het Amerikaans geïnspireerde Louvre-akkoord van februari 1987, dat tot doel had de koers van de dollar te stabiliseren. Een Duitse renteverhoging begin oktober leidde tot een hooglopende ruzie tussen de Amerikanen en de Duitsers, gevolgd door paniek op Wall Street (`zwarte maandag', 17 oktober 1987). De Franse franc, in de jaren tachtig toch al geregeld gedevalueerd, kwam hierdoor onder druk en Frankrijk was gedwongen zijn rente te verhogen.

Deze monetaire spanningen waren onderwerp van gesprek tussen hoge Duitse en Franse ambtenaren van Buitenlandse Zaken. Volgens Marshall werd het initiatief om na te denken over een institutionele oplossing voor deze problemen eind 1987 genomen door Genscher. Maar de Fransen waren hem voor. Begin 1988 kwam Balladur met een formeel voorstel voor de oprichting van een Europese Centrale Bank. Genschers memorandum – dat hij de vorm had gegeven van een discussiestuk voor zijn partij – volgde enkele weken later. De Bundesbank en het Duitse ministerie van Financiën waren uitermate terughoudend. Maar Kohl en Mitterrand pikten het voorstel op en zo kreeg het politieke vleugels. Een half jaar nadat de plannen voor een monetaire unie waren uitgewerkt door een commissie onder leiding van Jacques Delors begon Oost-Europa in beweging te komen. Zo kreeg de EMU eind 1989 een nieuwe politieke lading – het werd de Duitse concessie aan Frankrijk in ruil voor Franse steun aan de Duitse hereniging.

Bizar

In deze reconstructies is Marshall het sterkst. Zo ook ten aanzien van het weekeinde van 1 en 2 mei 1998, toen de Europese Raad het besluit moest nemen over de benoeming van Duisenberg. Duisenberg was op aandrang van de andere centrale bankiers in 1996 voorgedragen als president van het Europees Monetair Instituut, met de informele toezegging dat hij de eerste president van de ECB zou worden. Maar Chirac was woedend dat het politieke primaat van Frankrijk gepasseerd was. Anderhalf jaar lang zon hij op een tegenactie. Uiteindelijk schoof hij Jean-Claude Trichet naar voren, de president van de Banque de France. Tot dat moment had Chirac Trichet voortdurend als kop van jut gebruikt. Hij stelde hem verantwoordelijk voor het harde-francbeleid, dat Frankrijk in een diepe recessie had doen belanden. Als tweede of derde keus wees Chirac eind 1997 Trichet aan als de Franse kandidaat voor de ECB.

Hierna volgde een bizarre periode. Al direct begon de zoektocht naar een compromis. Juncker, de Luxemburgse premier die dat halfjaar voorzitter was van de EU, stelde voor om de termijn van acht jaar simpelweg te verdelen tussen Duisenberg en Trichet. De adviseur van Kohl, Bitterlich, en de adviseur van Chirac, Levitte, voerden maandenlang intensieve gesprekken over zo'n gedeelde termijn. Ruim een week voor de top in Brussel legde Bitterlich het vast in een vertrouwelijk memorandum gedateerd 23 april. De Fransen verkeerden daardoor in de veronderstelling dat Duitsland `om' was, maar het Duitse ministerie van Financiën en de Bundesbank bleven felle tegenstanders van een geformaliseerde splitsing. Bovendien zou Nederland het gezichtsverlies van nog een misgelopen internationale benoeming – en nog wel enkele dagen voor de parlementsverkiezingen – niet accepteren.

In een onbezonnen moment had Duisenberg in november 1996, in het feministische blad Opzij, al eens gezegd dat het gezien zijn leeftijd onwaarschijnlijk was dat hij de volle termijn van acht jaar zou uitdienen. Hij was die uitspraak allang vergeten, maar een van de medewerkers van Tony Blair, de Britse premier en de eerste helft van 1998 EU-voorzitter, duikelde het interview op. Dat bood een uitweg. Duisenberg zou nu in alle oprechtheid kunnen zeggen dat hij toch altijd al van plan was geweest om eerder op te stappen.

Aan de vooravond van de top leek de zaak beklonken. Blair stelde de regeringsleiders voor Duisenberg voor acht jaar te benoemen en vast te leggen dat Trichet hem zou opvolgen. Vervolgens zou Duisenberg meedelen dat hij de benoeming aanvaardde, maar dat hij van plan was op een bepaald moment in 2002 af te treden. Dat was het scenario. Blair was alleen vergeten met één betrokkene te praten: Duisenberg zelf.

Duisenberg weigerde. Hij was niet van plan onder politieke druk vervroegd terug te treden, hield vol dat dit zijn eigen beslissing zou zijn en wenste zich niet te binden aan een datum.

Slikken

De patstelling die toen ontstond leidde tot een van de langste `lunches' van de regeringsleiders in de geschiedenis van de EU: dertien uur. Ondertussen vond koortsachtig overleg plaats – tussen Duitsers, Fransen en Nederlanders, tussen Chirac, Kohl, Kok, Blair en Duisenberg. Aan het begin van de avond leek een uitweg in zicht: Duisenberg zou aftreden na de invoering van de euro in 2002. Chirac en Kohl gingen akkoord. Maar de Duitse ministers van Financiën en Buitenlandse Zaken en de president van de Bundesbank floten de kanselier terug. De keus van het moment waarop hij zou terugtreden, moest aan Duisenberg blijven. Als de Franse president Chirac daarmee niet akkoord ging, moesten de Duitsers maar naar huis gaan.

De Fransen stelden nog even een derde kandidaat (de Finse Hämäläinen) voor en daarna was het geduld van Blair en Kohl op. Er kwam een gesprek tussen Chirac en Duisenberg – volgens de Fransen onder vier ogen, volgens Duisenberg in aanwezigheid van Blair. Chirac bond in. Duisenberg stelde zijn verklaring op. Daarin legde hij vast dat hij `ten minste tot na de overgangsfase van de introductie van de euro-bankbiljetten en -munten' zou aanblijven en dat `in de toekomst het besluit om af te treden uitsluitend mijn besluit zal zijn'.

Die nacht werd de verklaring van Duisenberg gezien als een capitulatie voor Frankrijk, maar in de weken en maanden die volgden, bleek dat niet het geval. Duisenberg had juist binnengehaald wat hij wilde. Chirac had moeten slikken dat de datum van Duisenbergs vertrek aan de ECB-president was voorbehouden. Getergd door de gebeurtenissen verhardde Duisenberg zelf zijn standpunt in interviews met NRC Handelsblad (27 juni 1998) en Le Monde (30 december 1998). Het moment van zijn vertrek blijft in onzekerheid gehuld.

Intussen functioneert de ECB naar behoren, houdt de koers van de euro stand en is Duisenberg het vanzelfsprekende monetaire gezicht van euroland geworden. Matt Marshall komt de eer toe dit adembenemende Europese monetaire avontuur als eerste in boekvorm te hebben vastgelegd. Het is bewonderenswaardig dat hij in korte tijd zoveel informatie heeft weten te verwerken, maar hij verliest zich soms in details (de uitgesponnen levensloop van de bankiers), trivialiteiten (het aantal bordelen in het Bahnhofviertel waar de ECB is gevestigd) en slordigheden (verwisseling van namen en functies). In de inspanning het boek snel gepubliceerd te krijgen, is zorgvuldige eindredactie kennelijk achterwege gebleven.

Matt Marshall: The Bank. The birth of Europe's Central Bank and the rebirth of Europe's power. Random House, 434 blz. ca. ƒ92,95