De belangrijkste Nederlander

Voor de filosoof Spinoza is het universum een rationele harmonie. Afgaande op de stapels wetenschappelijke studies is hij nog even relevant als in de zeventiende eeuw. Twee biografen brengen de `nieuwe Spinoza' in kaart, inclusief zijn minder harmonieuze kanten: zijn arrogantie, vrouwenhaat en zijn ene, ongelukkige liefdesgeschiedenis.

Spinoza is tegenwoordig vermoedelijk, na Rembrandt, de beroemdste Nederlander. Willem de Zwijger, zijn enige echte rivaal voor deze eervolle positie, krijgt weliswaar in Nederland in het onderwijs en de nationale cultuur veel meer aandacht en eerbetoon, maar het valt te betwijfelen of hij wereldwijd in even hoog aanzien staat als Spinoza. Er mogen in de vroegmoderne tijd nog andere grote, misschien zelfs baanbrekender, filosofen zijn geweest – Descartes, Locke, Hume en Kant, om er een paar te noemen – toch kan van niemand anders vóór Marx, zelfs niet van Rousseau, echt worden gezegd dat hij in de huidige wereld nog altijd zo relevant is.

Dat springt vooral in het oog op terreinen als de status van geopenbaarde godsdiensten en van de Bijbel, de grondslagen van de ethiek, de oorsprong van de moderne tolerantie, de vraag naar het bovennatuurlijke, en de vrijheid van denken, meningsuiting en drukpers. Toen de grootste natuurwetenschapper van deze eeuw, Albert Einstein, in 1929 op de vraag of hij in God geloofde, zei dat hij geloofde `in de God van Spinoza, die zich openbaart in de harmonie van al het bestaande, niet in een God die zich bekommert om het lot en het doen van de mens', was dat antwoord dan ook allerminst excentriek of verrassend voor iemand uit de twintigste eeuw.

De afgelopen kwart eeuw is een reusachtige hoeveelheid onderzoek verricht naar Spinoza's leven en ideeën, waardoor ons beeld van zijn plaats in de intellectuele geschiedenis, en in de geschiedenis in ruimere zin, immens is verruimd en verfijnd. Doorwrochte analyses van zijn denkbeelden door academische filosofen (Edwin Curley, Alexandre Matheron, Jonathan Bennett, Herman De Dijn en Don Garrett) hebben de categorieën en terminologie van Spinoza's filosofie verhelderd, en onze kennis van zijn intellectuele context en invloed is nog ingrijpender veranderd, door een nog grotere falanx van filosofie-historici (onder wie Richard Popkin, Wim Klever, Manfred Walther, Pierre-François Moreau, Marc Bedjaï, Wiep van Bunge en Winfried Schröder). Een derde indrukwekkend cohort (onder anderen Filippo Mignini, Fokke Akkerman en Piet Steenbakkers) heeft met filologische technieken en nauwgezette studie van Spinoza's teksten aanmerkelijk bijgedragen tot een beter begrip van de ontstaansgeschiedenis, de redactie en de vroegste vertalingen van zijn geschriften.

Toch bleven de resultaten van dit nieuwe onderzoek verstopt in obscure wetenschappelijke monografieën en vakbladen, zodat de betekenis ervan nog niet in bredere kring is doorgedrongen. Het is dan ook bijzonder welkom dat na vele jaren waarin het geïnteresseerde publiek het heeft moeten stellen zonder een algemeen en actueel overzicht van Spinoza's leven en denken, nu vrijwel tegelijkertijd twee zeer leesbare, fascinerende, en uitvoerige biografieën van Spinoza zijn verschenen. Zij komen bovendien kort na de voortreffelijke Cambridge Companion to Spinoza (1996). Ineens begint Spinoza de brede, publieke behandeling te krijgen die hij verdient.

Steven Nadlers Spinoza is een doorgaans betrouwbaar, doordacht en evenwichtig werk. De auteur, hoogleraar filosofie aan de universiteit van Wiscons, is een kenner van de zeventiende-eeuwse wijsbegeerte, schreef eerder boeken over Arnauld en Malebranche. Hij heeft zich zorgvuldig verdiept in de uiteenlopende elementen en factoren die hebben bijgedragen aan Spinoza's complexe ontwikkeling. Hij behandelt met name Spinoza's sefardisch-joodse oorsprong en opvoeding en zijn latere verbanning uit de Amsterdamse joodse gemeenschap in 1656 vollediger en genuanceerder dan gebruikelijk is. Nadlers behandeling van Spinoza's filosofische meesterwerk, de bepaald niet makkelijk te doorgronden Ethica (1677), is uitmuntend helder en zeer nuttig. Bovenal benadrukt hij, terecht, meer dan de meeste commentatoren, dat de Ethica een werk is dat `stoutmoedig [is] tot aan het vermetele toe [...] een systematische en meedogenloze kritiek op de traditionele filosofische opvattingen over God, de mens en het universum, en bovenal op de godsdiensten en de daarop gegrondveste theologische en morele geloofsovertuigingen'.

Het bijzondere aan Spinoza's wijsgerige stelsel is dat het de volledige werkelijkheid – het geestelijke en het lichamelijke, de mens en God, de natuur en de dichtkunst, rede en gevoel, wetenschap en religie – op een coherente manier integreert in het stoffelijke universum. Hij verbindt daarbij alle elementen zo met elkaar dat – of je het nu bewondert of verafschuwt, en zelfs als je de logica voldoende beheerst om er gaten in te schieten – zijn stelsel altijd weer, onontkoombaar, een aannemelijke indruk maakt op iedereen die ermee kennismaakt.

Heel ons bestaan en universum wordt in Spinoza's stelsel herleid tot één rationele eenheid, een intellectuele onderneming die in zijn tijd de grootst mogelijke verontwaardiging wekte. Het biedt, zoals Einstein zei, `vertrouwen in het rationele karakter van de werkelijkheid', op een manier die je bij Descartes, Locke of Hegel niet vindt. God wordt gelijkgesteld aan de Natuur, de geest opgenomen in de stof, het bovennatuurlijke uit de weg geruimd, de mens tot deel van de natuur gemaakt, en elke gebeurtenis grijpbaar gemaakt in een mathematisch geformuleerde keten van oorzaak en gevolg. Dit alles wordt vervolgens tot een organisch geheel gesmeed. Maar al is de Ethica zodoende `een van de meest originele verhandelingen in de geschiedenis van de filosofie', aldus Nadler, en al verwijst het zelden expliciet naar vroegere denkers, toch is het, zoals deze biograaf ook aantoont, buitengewoon erudiet en berust het op brede kennis van klassieke, middeleeuwse, renaissancistische en vroegmoderne denkers zoals Plato, Aristoteles, de stoïcijnen, Maimonides, Bacon, Descartes en Hobbes.

Nadler heeft zorgvuldig al het recente onderzoek, alle vondsten en alle verschillen van inzicht onderzocht en gewogen, en trekt doordacht zijn eigen conclusies. Zo weet hij uitstekend raad met de recente golf van belangstelling voor Spinoza's leraar Latijn, Franciscus van den Enden (1602-1674), een atheïstische ex-jezuïet uit Antwerpen die zelf ook een interessante radicale auteur is gebleken. Sommige moderne deskundigen, met name Wim Klever en Marc Bedjaï, beschouwen de invloed van Van den Enden op Spinoza als cruciaal – hij zou als een soort `proto-Spinoza' de grondslagen hebben verschaft waarop een belangrijk deel van Spinoza's latere grootheid is gebaseerd. Anderen, onder wie Herman De Dijn, beschouwen Van den Enden ook als een sleutelfiguur in de intellectuele kringen waarin Spinoza verkeerde, maar zien hem toch eerder als een volgeling dan als een wegbereider, eerder als vaardig publicist dan als oorspronkelijk denker. Nadler geeft Van den Enden alle eer die hem toekomt; hij onderstreept zijn kwaliteiten als leraar en publicist, en de tot nu toe verwaarloosde betekenis van zijn bijdrage. Maar hij distantieert zich op dit punt toch ook voorzichtig van Klever – over het geheel genomen een van de vernieuwendste, creatiefste en productiefste onderzoekers van de `nieuwe Spinoza' – en concludeert dat `het nauwelijks te betwijfelen valt dat Spinoza al op vrij jeugdige leeftijd een oorspronkelijk en onafhankelijk denker was', en dat het `overdreven [is] om te stellen dat [Van den Enden] de rol van Socrates heeft gespeeld tegenover Spinoza's Plato'. Daarbij merkt hij wel op dat toen Spinoza met de ex-jezuïet in contact kwam, `hij nog veel te leren had, en door hem zal hebben kennisgemaakt met een indrukwekkende hoeveelheid belangrijke teksten, ideeën en figuren.'

Vergeleken hiermee, zou het makkelijk zijn een tamelijk negatief beeld te schetsen van Margaret Gullan-Whur's Within Reason. Haar boek bevat feitelijke slordigheden en verwarrende passages, die wijzen op nonchalant onderzoek en een oppervlakkige kennis van de Nederlandse historische context. Van Prins Maurits zegt Gullan-Whur, filosofe en schrijfster, dat hem de titel `Prins van Oranje' onthouden werd. Zij schrijft dat Spanje in 1632, `het Nederlandstalige vorstendom Luik' niet wilde kwijtraken, en dat Rotterdam in 1627 `een plattelandsdorpje' was. Ze hanteert de term maranen herhaaldelijk volstrekt onjuist, noemt Petrus Serrarius (1600-1669) `een tegendraadse bejaarde Engelsman', beweert dat de Portugese joden in Amsterdam `joods-Spaans Ladino' spraken (ze spraken Portugees), enzovoorts.

Ook is haar verklaring voor Spinoza's verbanning uit Amsterdam eigenaardig: zij zegt dat de leiders van de Portugees-joodse gemeenschap hun optreden gerechtvaardigd achtten door zijn `gedachtenwisseling met niet-joden over religieuze aangelegenheden, zijn ongehoorzaamheid aan de leiders, zijn vertrouwelijke omgang en twisten buiten de joodse gemeenschap en waarschijnlijk het feit dat hij verboden `geschriften' bezat, bijvoorbeeld van Descartes'. Geen van deze betrekkelijk onbeduidende punten was naar mijn mening van grote betekenis, en misschien zelfs van geen enkele. Zoals Nadler terecht benadrukt en zoals alle gegevens uitwijzen – ook de uitzonderlijk strenge vorm van excommunicatie die in Spinoza's geval gehanteerd werd – was de kern van de zaak dat Spinoza de `goddelijke oorsprong en Mozes' auteurschap van de Thora' ontkende.

Gullan-Whur zal zich onvermijdelijk kritiek op de hals halen met bepaalde opmerkingen over de joden. `De Nederlanders', schrijft zij, `zagen de onbetrouwbaarheid van de joodse ondernemers door de vingers, maar ergerden zich aan hun gebrek aan scrupules in Amsterdam.' Zij spreekt van `joodse bekrompenheid', noemt de `maraanse disputen uit Bento's jeugd een joods euvel', zegt dat Spinoza voor zijn verbanning `maraanse huichelarij had bedreven', spreekt van `de gewone joodse neiging om op krediet te leven' en van `de razernij waarmee de bestuurders van de synagoge straften'. Dit is des te betreurenswaardiger omdat Gullan-Whur bij Spinoza's enige directe aanval op de katholieke kerk (te vinden in een brief aan zijn oud-leerling Albert Burgh, die in Italië tot het katholieke geloof was overgegaan en hem nu met `eeuwige verdoemenis' dreigde), het antwoord van Spinoza simpelweg afdoet als een `blijk van zijn minachting voor Christus' sacramenten en bovennatuurlijke wezen'. Zij noemt de brief `grof, een Spinoza `onwaardige scheldpartij', en betwijfelt of Burgh `hem na de sarcastische aanhef nog verder gelezen heeft'.

Maar dit is juist een van Spinoza's belangrijkste brieven, die gezaghebbende lezers in diverse landen, onder wie Henry More en Leibniz, met ontsteltenis vervulde, maar tevens grote indruk op hen maakte. Hij nam inderdaad geen blad voor de mond, maar zijn opmerkingen over de duivel en de eeuwige verdoemenis, en over de financiële corruptie van de kerk, zijn betoog dat de katholieke heiligen en zaligen zich op geen enkele manier onderscheiden van de martelaren en heiligen van andere religies, dat de joodse kerk ouder en volhardender is en meer wonderen kent dan de katholieke kerk, en dat de islam machtiger, uniformer en luisterrijker is dan het christendom, terwijl de paus de leiding over de christelijke wereld heeft bemachtigd met behulp van vervalste documenten, manipulatie en handige `streken' – dat alles is geen scheldpartij, het zijn moeilijk te weerleggen argumentaties. De apostolisch vicaris van de Nederlandse katholieke kerk in Utrecht schreef in september 1678 geschokt aan de pauselijke nuntius in Brussel dat `er nauwelijks iets te bedenken is dat schadelijker is voor de christelijke en katholieke godsdienst dan deze brief'.

Behalve talrijke en aanzienlijke gebreken heeft het boek van Gullan-Whur ook enkele opvallend sterke punten. In de eerste plaats heeft zij ernstige bedenkingen bij Spinoza's karakter en opvattingen; ze verwijt hem vooral arrogantie en `vrouwenhaat'. Biografen van grote figuren hoeven beslist geen bewonderaars te zijn, en Gullan-Whur wijst er terecht op dat Spinoza's gedrag en karakter het object zijn geweest van veel wishful thinking en kritiekloze bewondering. Ongetwijfeld hebben vroegere biografen een zekere arrogantie en eerzucht bij Spinoza systematisch over het hoofd gezien of gebagatelliseerd – die kritiek geldt tot op zekere hoogte ook voor Nadler. Maar als Gullan-Whur beweert dat `Spinoza zijn leven lang vrijwel niemand anders dan zichzelf in staat achtte tot behoorlijk redeneren', doet ze hem geen recht. Spinoza heeft nooit verheeld dat hij zeer veel te danken had aan Descartes, of dat hij een hoge dunk had van Machiavelli, Hobbes en Pieter de la Court.

Gullan-Whur bewijst vooral nieuwe en nuttige diensten door haar grote aandacht voor Spinoza's houding tegenover vrouwen en seksuele aangelegenheden, een terrein dat van wezenlijk belang is voor de beoordeling van zijn leven, werk en politieke denkbeelden, en waaraan andere biografen al te weinig aandacht hebben geschonken. De analyse van gevoelens – van geluk en ongeluk, van genot – beslaat een groot deel van de Ethica, en het is duidelijk dat Spinoza zichzelf op dat gebied in zekere zin als een expert beschouwde.

Gullan-Whur wijst er terecht op dat Spinoza werd gefascineerd door seksuele jaloezie, al is het de vraag of ze er goed aan doet tamelijk uitvoerig te speculeren over zijn enige liefdesgeschiedenis waarover iets bekend is (Nadler staat er amper bij stil en zegt maar weinig over het onderwerp seksualiteit). Gullan-Whur beweert dat Spinoza geobsedeerd werd door Van den Endens intelligente, erudiete dochter Clara Maria van den Enden (1644-1710) en dat hij jarenlang vreselijk jaloers was op haar genegenheid voor een ander, de arts Dirk Kerckring. De biografe levert een waardevolle bijdrage door uitvoerig stil te staan bij Spinoza's theoretische oordeel over de vrouw en haar plaats in de samenleving. Ze klaagt over zijn `vrouwenhaat' en betoogt dat er in Spinoza's geest een diepe contradictie school, tussen enerzijds zijn aanname `dat vrouwen onvermijdelijk en radicaal [bij mannen] achtergesteld zijn' en anderzijds zijn theorie in de Ethica dat `overeenstemming tussen mensen slechts mogelijk is met behulp van de rede', en bovendien het feit dat Spinoza `toen hij beweerde dat gemeenschappelijke inzichten inzichten waren die alle mannen gemeen hadden, hij met `mannen' mensen in het algemeen bedoelde, niet alléén mannen'.

Dat laatste klopt, maar het is zeer twijfelachtig of de contradictie die Ghulan-Whur ziet, werkelijk bestaat. Ongetwijfeld geloofde Spinoza dat vrouwen in de praktijk eerder vatbaar zijn voor `bijgeloof' en minder gevoelig voor de rede dan mannen. Mogelijk is hij in die overtuiging gesterkt doordat de vermaardste geleerde vrouw van zijn tijd, Anna Maria van Schurman (1607-1678), ten slotte een religieus fundamentaliste werd, terwijl de intelligente, geestige en geleerde Clara Maria krachtig vasthield (en zelfs in toenemende mate) aan haar katholieke geloof.

Het staat ook vast dat Spinoza de vrouw in zijn laatste werk, het Tractatus Politicus, een ondergeschikte plaats toekende. `Vrouwen en dienaren, die onderworpen zijn aan hun echtgenoten en meesters, en ook kinderen en pupillen, zolang zij onder de zeggenschap van hun ouders en voogden staan', sluit hij in dat werk expliciet uit van het kiesrecht voor de hoge raad van zijn ideale democratische republiek. Ook beantwoordt hij de vraag of de vrouw `van nature of naar maatschappelijk gebruik onder het gezag van de man staat' met de conclusie dat zij `van nature' ondergeschikt is.

Maar het is wel belangrijk om te bedenken dat Spinoza zich hiermee houdt aan zijn stelregel dat een zinnige politieke theorie altijd moet uitgaan van een realistische kijk op de mens. Hij zegt niet – zoals toen werd gedacht – dat vrouwen per se geestelijk onderdoen voor mannen. Het gaat hem erom dat hij in het verleden geen voorbeeld kan vinden van een situatie waarin vrouwen `het gezag van de mannen' hebben weten af te werpen, en dat hij daarom aanneemt dat de vrouw te zwak is om zich te verzetten tegen het gezag van haar vader of echtgenoot. Juist het feit dat hij hen indeelt bij de `dienaren', die zonder hun meesters vrij zouden zijn, en bij de kinderen, die zelfstandig worden zodra ze niet meer onder ouderlijk toezicht staan, impliceert dat de vrouw in theorie onafhankelijk, en daarmee kiesgerechtigd, kan zijn als ze zich maar aan de mannelijke overheersing zou kunnen ontworstelen.

Het ironische van Gullan-Whurs aanmerkingen op Spinoza's `vrouwenhaat' is dat het nu juist de spinozisten en radicale deïsten waren die eind zeventiende, begin achttiende eeuw als eersten tornden aan de opvatting dat vrouwen intellectueel inferieur zijn aan mannen (te beginnen met Van den Enden, die vond dat meisjes en vrouwen evenveel toegang tot onderwijs moesten krijgen als mannen). Als eersten stelden zij ook dat geïnstitutionaliseerde onderwerping van vrouwen aan hun vaders en echtgenoten niet door God beschikt is en dus geen wettelijke grondslag heeft maar niets anders is dan tirannie. De moderne emancipatie van de vrouw kon niet op gang komen zolang deze `filosofische' stap niet gezet was. Daar komt bij dat de intellectuele emancipatie van de vrouwelijke seksualiteit op precies hetzelfde moment en om dezelfde reden is begonnen, getuige de geschriften van spinozisten en radicalen als Beverland, Radicati en markies d'Argens. Want zoals de `knechting' van vrouwen door vaders en echtgenoten niet `door God is beschikt', zo is dat evenmin het geval met een seksuele code die de vrouw gevangenhoudt in opgelegde kuisheid en in een exclusief binnen het huwelijk te beleven seksualiteit, en die niet in gelijke mate of op dezelfde wijze geldt voor de man.

Steven Nadler: Spinoza. A Life.

Cambridge University Press,

422 blz. ƒ86,75

Margaret Gullan-Whur: Within Reason.

A Life of Spinoza Jonathan Cape,

398 blz. ƒ75,60

Vertaling: Jaap Engelsman