Blokje op zee

Al dertig jaar maakt Ger van Elk conceptuele kunst. Toen hij begon was schoonheid een concessie.

Nu mag zijn kunst ook mooi zijn.

In de huiskamer van Ger van Elk staat een glazen stolp met een dik, roodfluwelen kussen eronder. In een film zou op dat kussen een kostbaar juweel liggen, of een diamant vernoemd naar een maharadja. Nu loopt Van Elk eropaf, wringt de bak omhoog en kijkt vertederd naar het witte blokje dat op het kussen ligt. Op het eerste gezicht is La pièce/Het topstuk (1971) niet meer dan een witgeverfd blokje hout. Maar er is meer: Van Elk verfde het midden op zee, op een plek waar, volgens berekeningen van de door hem geconsulteerde maritieme dienst, zo min mogelijk stof in de lucht zou zitten. Dit om het blokje een zo perfect mogelijk, stofvrij, gladgeschilderd oppervlak te verschaffen. ,,Het was bedoeld als een kleren van de keizer-achtig project,'' zegt Van Elk. ,,Ik wilde commentaar geven op het menselijke streven naar esthetiek en perfectie. Daarom moest het blokje wit zijn, want wit is het symbool van de maagdelijkheid, en daarom ging ik er dat hele stuk de zee mee op. Pas later hoorde ik dat de Chinezen duizenden jaren geleden al de meubels van het keizerlijk hof de zee mee op namen om ze daar volmaakt smetteloos te lakken.''

Hij zet de stolp er weer op, en plotseling is het nauwelijks nog voor te stellen dat daar een blokje hout ligt en geen diamant. ,,Iedereen vond het een raar project, in die tijd,'' vervolgt Van Elk. ,, ik heb het later nog eens voor een ton aan het Stedelijk aangeboden. Maar dat wilden ze er niet voor betalen. Toen heb ik het maar gehouden.'' Grinnikend wijst hij naar het blokje. ,,Misschien hadden ze ook wel gelijk, ik heb het geloof ik wat slordig geschilderd.'' En inderdaad, op een van de hoeken van het perfecte blokje tekent zich een druiper af in de verf.

La pièce werd gemaakt voor Sonsbeek buiten de perken, een nu befaamde tentoonstelling die in 1971 door Wim Beeren werd samengesteld. Het was een van de eerste gelegenheden waarop Nederland kennismaakte met conceptuele kunst in het algemeen en land art in het bijzonder. Robert Smithson maakte zijn Broken Circle in een zandafgraving bij Emmen, Wim T. Schippers zette een schijnbaar verongelukte auto tussen de bomen en Carl Andre legde in het gras van Park Sonsbeek een cirkel van elektriciteitsbuizen, een zo bescheiden geste dat de onderhoudsdienst het werk met de vuilnis meegaf. Stuk voor stuk zijn het bij uitstek voorbeelden van conceptuele kunst: het verhaal, de gedachte achter het werk was belangrijker dan de uiteindelijke uitvoering. Dat betekende ook dat het materiaal en het vakmanschap waarmee het was gemaakt er niet toe deden, evenmin als schoonheid, esthetiek of ontroering. Die werden als een knieval voor het publiek beschouwd.

,,Het publiek kon ons niks schelen'', zegt Van Elk. ,,We wilden breken met de traditie van schilder- en beeldhouwkunst, met die miese alpinopettenkunst van de jaren vijftig. Ik maakte dan ook geen werk voor `het publiek' maar voor mijn vrienden, voor Stanley (Brouwn) of Jan (Dibbets). We liet het aan elkaar zien: kijk nou eens Jan, wat ik aan het maken ben. En dan zei Jan, hé ja, godverdomme, dat is fantastisch. Verder hadden we geen enkele illusie dat er een publiek rondliep voor kunstenaars als wij, die een touwtje over de vloer spanden, of een foto van een stoeptegel op diezelfde stoeptegel legden. Toen ik echt begon te exposeren had ik het gevoel dat een werk pas geslaagd was als de mensen gillend uit de tentoonstelling wegliepen, of het volkomen flauwekul vonden. Mooie, esthetische tentoonstellingen interesseerden me niet. Nog steeds niet trouwens.''

Gastconservator

Dit najaar wordt Van Elks werk op maar liefst drie exposities tentoongesteld. In het Van Abbemuseum in Eindhoven krijgt hij twee tentoonstellingen achter elkaar, een met fotowerken en een met de filmpjes die hij in de jaren zestig en zeventig maakte. Tegelijk is in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam een tentoonstelling te zien die Van Elk heeft samengesteld uit de verzameling landschapsschilderkunst van het museum. Het Boijmans kondigt de kunstenaar aan als `gastconservator', maar dat ziet Van Elk zelf anders. ,,Ik heb in de kelders van het Boijmans een stuk of twintig zeventiende-eeuwse schilderijen uitgezocht die allemaal een rechte horizon hebben, werken van Van Goyen, Van de Velde, Avercamp, Hobbema. Die hang ik naast elkaar, zo dat alle horizonnen op één lijn komen te liggen. Daardoor krijg je een lange horizonlijn van 12,5 meter, bijna een panorama. Op de wand daartegenover doe ik hetzelfde, maar nu met negentiende-eeuwse doeken van schilders als Mauve, Weissenbruch en Jongkind. Zij waren romantici, maar je kunt zien dat ze heel goed naar hun zeventiende-eeuwse collega's keken. Die doeken hang ik ook op een rechte horizonlijn, maar dan andersom, met de lucht naar beneden en de aarde naar boven. Dat geeft allereerst de indruk van een diagonale spiegeling, maar er gebeurt nog iets anders. Als toeschouwer ben je zo gewend dat de lucht boven zit, dat je het geheel in je hoofd gaat omkeren. Of je het wilt of niet, de wolken wordt water en de bovenkant wordt lucht: boompjes worden wolken, het zeilscheepje wordt een wolk, het weiland wordt een onweersveeg in de lucht. Daarmee is het nauwelijks nog een tentoonstelling te noemen. Ik beschouw het echt als een eigen werk, een eigen statement – ik gebruik die werken vooral om er een eigen werk van te maken.''

De vrijheid om elk gewenst materiaal te gebruiken is een logische consequentie van het conceptuele gedachtengoed dat Van Elk al dertig jaar aanhangt. In tegenstelling tot collega's als Stanley Brouwn en Jan Dibbets, die meestal dezelfde herkenbare motieven gebruiken, heeft Van Elk zich een grote mate van stijlloosheid toegeëigend, die in de praktijk betekent dat hij nooit op het consequent gebruik van een materiaal of stijl is te betrappen. Zo maakte hij een groot aantal filmpjes, bijvoorbeeld van een cactus die wordt ingezeept en geschoren. Ook maakte hij platte beelden waarin zijn zelfportret zit verwerkt, foto's met commentaar op de kunstgeschiedenis en zogenaamde sandwiches: honderden kilo's zware beelden waar allerlei foto's en objecten tussen planken werden geklemd. De laatste jaren legde hij zich vooral toe op zijn `Kinselmeer'-serie: beschilderde en versneden landschapsfoto's, die, net als zijn Boijmans-installatie, de toeschouwer confronteren met zijn eigen manier van naar het landschap en de horizon kijken.

Door die stijlloosheid heeft Van Elk het zichzelf niet gemakkelijk gemaakt. Voor buitenstaanders was zijn werk moeilijk herkenbaar als een echte Van Elk, en ook de lichte ironie (zelf noemt Van Elk het liever relativering) die in veel van zijn werken opduikt werd niet altijd gewaardeerd. Daar staat tegenover dat het wel een uiterste consequentie is van het conceptuele gedachtengoed – als de gedachte belangrijker is dan de uitvoering doet een consequente stijl van uitvoering er in principe niet toe.

Protest

Daar komt nog bij dat zijn werk tegenwoordig nauwelijks nog als conceptueel wordt herkend, tenminste niet als conceptueel statement en dat is tekenend voor de situatie van de conceptuele kunst in het algemeen. Aan de ene kant lijkt het soms of iedereen tegenwoordig conceptuele kunst maakt, aan de andere kant heeft die conceptuele kunst geen raakpunten meer meer met de uitgangspunten die Van Elk en zijn generatie in de jaren zestig in de praktijk brachten. Voor jongere kunstenaars van dit moment is het maken van conceptuele kunst een keuze, net zoals het een keuze is om te gaan schilderen of beeldhouwen, met protest heeft het niet veel meer van doen. En dat leidt tot de merkwaardige situatie dat voor de conceptuele kunst, ooit begonnen als protest tegen de traditionele schilder- en beeldhouwkunst, nu traditionele maatstaven worden gehanteerd.Daar heeft ook Van Elk ervaring mee. ,,Onlangs werd ik gebeld door het Groninger Museum. Een fotowerk dat ze van me hebben, uit de jaren zestig, was nat geworden en dat wilden ze laten maken. Geen probleem, zeg ik, ik heb het negatief nog dus ik maak wel een nieuwe afdruk voor jullie. Toen werd het stil aan de andere kant van de lijn. `Maar..,' zeiden ze, `dan is het niet meer hetzelfde papier, dan is het een ander werk geworden.' En hoe ik ook praatte, hoe ik ook uitlegde dat die foto alleen de noodzakelijke materialisering van het concept was en dat het dus niet uitmaakte of ik het verving, ze wilden er niet aan. De verzekeringswaarde zou ervan achteruit gaan, zeiden ze. Dus toen ben ik naar Christie's gegaan en tot mijn verbazing bevestigden die wat ze in Groningen zeiden. Dat oude, kapotte werk was volgens Christie's 120.000 gulden waard. Maar als ik, als kunstenaar er een nieuwe afdruk overheen zou plakken zou het tienduizenden guldens minder waard zijn. Dat komt, zeggen ze, omdat het dan een ander werk is: het is namelijk gemaakt met de intentie om een werk uit 1972 na te maken, en dan is het minder waard dan een normaal werk. Zo zie je maar: er wordt gewoon geoordeeld naar de maatstaven van de schilderkunst.''

Toch moeten zulke voorvallen u ook een gevoel van triomf geven. Uw werk uit de jaren zestig is tonnen waard, jongere kunstenaars willen allemaal conceptuele kunst maken.

,,Ha! Dat kan best waar zijn, maar ondertussen hebben die jongeren geen idee wie ik ben. Het is niet te geloven wat ik soms zie. Zo'n Jeroen Eisinga bijvoorbeeld, die heeft een filmpje gemaakt waarin hij in een oranje bootje stilzit in een sloot: precies hetzelfde bootje als ik ooit heb gebruikt. En nu heb je die Job Koelewijn, die gaat dan zijn familie een paviljoen laten schoonmaken. Dan denk ik: jongen heb jij wel eens van Fluxus gehoord?''

Maar u wilde de maatschappij provoceren, en de kunst veranderen. En zie: u heeft uw zin gekregen.

,,Nee ho, wacht even. Het ging ons er niet om om te zeggen: wij schilderen iets groen en nu moet iedereen dat maar doen. Waar het ons om ging, en waar het mij nog steeds om gaat, is dat ik wil laten zien hoe ik als uniek mens tegenover de maatschappij sta. En dat wilde ik kunnen doen in iedere vorm die me van pas kwam. Mijn conceptuele taal is persoonlijk en poëtisch. En als andere mensen ons nu een beetje halfhartig gaan zitten nadoen... dat heeft toch niks persoonlijks meer.''

Wat vindt u er dan van dat zo'n blokje hout tegenwoordig enkele tonnenwaard is?

,,Gek natuurlijk, onwezenlijk.''

Wat is er dan veranderd? De kunst of de maatschappij?

,,Allebei. Er zat een spanning in kunst zoals wij die in de jaren zestig maakten. Aan de ene kant trap je tegen de maatschappij aan, scheld je ze uit, aan de andere kant wil je ook iets vertellen. Dus als de maatschappij je een paar keer afwijst en zegt: sodemieter toch op met die flauwekul, dan probeer je het nog een keer: `vind je het toch niet mooi?' Zo probeer je je verhouding tot de maatschappij vast te stellen. En juist dat laatste is voor jongere conceptuele kunstenaars steeds belangrijker geworden. Ik denk dat de echte, klassieke concept-kunst zijn eindpunt heeft bereikt met Jeff Koons. Bij hem werd het concept dat hij als kunstenaar alles kon maken – letterlijk alles, hoe lelijk ook. Daarmee is een fascinerend nulpunt in de kunst bereikt. Niet dat ik trouwens jaloers ben op zijn oeuvre: hij ontwikkelt niks nieuws, al zijn werken zijn een spin-off van die ene gedachte.''

Geldt dat niet voor veel meer concept-kunstenaars, juist ook voor veel mensen van u generatie?

,,Zelf geloof ik dat ik daar geen last van heb. Ik heb altijd mijn vrijheid weten te behouden, mijn vrijheid van stijl en van taal. Maar er zijn veel mensen van mijn generatie die inderdaad alsmaar hetzelfde zijn blijven doen. Die doen aan branding, zoals dat in de reclame heet. Sol LeWitt bijvoorbeeld, hem begreep ik toen hij eind jaren zestig potloodlijnen ging trekken op de muur van het Kröller-Müller. Een `Wall-drawing', dat was toen fantastisch. Maar hij doet het nog steeds! Of, wat zeg ik: hij doet het niet eens meer zelf, hij laat het zijn studenten doen! Waarom zou mij dat nog kunnen schelen? Mario Merz, ook zo'n mooi voorbeeld. Goede kunstenaar, heeft prachtige dingen gemaakt, maar ondertussen heeft hij wel zo'n 200 iglo's op zijn naam staan. En die zijn allemaal min of meer hetzelfde - pathetisch vind ik dat, esthetisch masturberen. Zulke kunstenaars zijn aan het `oogsten' zeg ik altijd maar.''

Oogst u zelf ook?

,,Jawel.''

Waaraan kan ik dat zien?

,,Alsmaar die Kinselmeertjes... Kijk, ik heb dertig jaar met ontzettend veel plezier met van alles geëxperimenteerd. Daar kun je dertig jaar mee doorgaan, of zestig jaar of 120 jaar en dan ben je dood. Dan is je oeuvre een grote zee van probeersels, wel of niet gelukt. Daarom vind ik het ook wel eens aardig om een aantal dingen waarvan ik vind dat ik ze niet op hun uiterste merites heb getest, alsnog te doen. Daar is niks mis mee.''

En als mensen zeggen: hij melkt zijn oude ideeën uit?

,,Fantastisch vind ik dat, als ze dat zeggen. Ik zal het niet ontkennen – echt niet. Ik ben erachter gekomen, en dat is misschien wat laat, dat er ook in het conceptdenken een esthetische ontwikkeling zit. Kunstwerken kunnen goed zijn omdat ze intelligent bedacht zijn, of knap gemaakt, maar net zo goed omdat ze gewoon mooi zijn. Dat geldt ook voor conceptuele kunst, al mocht je dat vroeger niet zeggen. En ik denk dat dat de komende tijd steeds duidelijker zal worden: dat je conceptuele kunst ook met esthetica kunt combineren, dat conceptuele kunst ook mooi kan zijn, net zoals een mooie gedachte of een mooie filosofie.''

Wilt u daarmee niet zeggen dat u zich langzaam aan de smaak van het publiek heeft aangepast?

,,Ik ben er steeds meer van overtuigd geraakt dat een kunstwerk vooral een driedimensionaal gedicht moet zijn. Een echt goed kunstwerk kun je niet volledig analyseren. Er moet een geheim inzitten, iets dat je niet in taal kunt samenvatten, zoals we dat aan het begin van de conceptuele tijd wel geloofden.''

Is de traditionele conceptuele kunst bezig zichzelf om zeep te helpen?

,,Ik denk dat de conceptuele kunst met Jeff Koons inderdaad is klaargekomen. Nu is het tijd voor bezinning. Dat zorgt voor een vacuüm, een lacune, maar dat hoeft niet automatisch oninteressante kunst op te leveren. Ik denk dat persoonlijke kunst steeds belangrijker wordt, net als echte originaliteit, techniek en vaardigheid.''

Uw eigen werk heeft kortom de toekomst.

,,Denk ik wel ja.''

Ger van Elk: `De horizon, een geestelijk verschiet', van 4/9 t/m 24/10. Ger van Elk: `Film-, video- en diawerken', 18/11 t/m 9/1/2000. Beide in het Van Abbemuseum, Eindhoven, tijdelijke gebouw Vonderweg.

Ger van Elk: `Hollands landschap', 25/9 t/m 14/11 in Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam.