Basisvorming

DE MIDDENSCHOOL van ex-minister Van Kemenade van Onderwijs is nooit van de grond gekomen. Zijn grootscheepse hervormingsplannen ten tijde van het kabinet-Den Uyl zijn onder zijn leerling, staatssecretaris Wallage hooguit in afgezwakte vorm realiteit geworden: in de basisvorming. Maar daarmee is niet gezegd dat dit compromis gelukkig was. Net als het ideaal van de middenschool ging ook het concept van de basisvorming voorbij aan de werkelijkheid. De gedachte dat de middelbare school over de hele linie naar een hoger niveau moest worden getild, was zo slecht nog niet. Maar door het jarenlang loven en bieden, dat aan de invoering in 1993 voorafging, bleef daarvan weinig over en resteerde vooral slappe thee.

Velen konden dat in 1993 weten. Sinds de pacificatie hebben onderwijshervormingen in Nederland zelden opgeleverd wat ze beoogden. Met de Mammoetwet bijvoorbeeld was het sinds 1968 ook zo vergaan. Die wet, ooit bedoeld om de selectie van kinderen uit te stellen en hun kansen zodoende te vergroten, bleek niet naar boven te nivelleren. Het idee van de middenschool leed vervolgens aan hetzelfde euvel. ,,Kunnen arbeiderskinderen eindelijk naar het gymnasium, wordt het afgeschaft'', zoals de communist Marcus Bakker het ooit en voor de verandering adequaat formuleerde.

Een grootscheeps onderzoek naar de effecten van de basisvorming, uitgevoerd door het CBS en de universiteiten van Groningen en Twente, levert nu een vergelijkbaar beeld op. Het ging er bij de basisvorming om de weg omhoog te wijzen. Door iedereen de eerste drie jaar hetzelfde onderwijs aan te bieden, zouden de kinderen uit `achterstandsmilieus' worden opgetrokken en kon het aantal afvallers worden teruggedrongen. Volgens het onderzoek is daarvan weinig terechtgekomen. De leerlingen uit de lagere sociale strata presteren nog altijd even slecht als voor 1993. Sterker, het niveau van het VWO is over het algemeen juist gedaald in plaats van gestegen.

VOLGENS DE onderzoekers hoeft de noodklok nog niet geluid te worden. Ze hebben slechts `tendensen' gesignaleerd. Bovendien hebben ingrijpende onderwijshervormingen tijd nodig. Pas over vijf jaar is de tijd rijp voor definitieve conclusies, nuanceren ze.

Intussen moet het middelbaar onderwijs al wel de kroon op het werk van de basisvorming zetten: de zogeheten `tweede fase' met haar `profielen' (de inhoud) en `studiehuis' (de vorm). Als het om de `tweede fase' gaat is het eveneens te vroeg om een eindoordeel te vellen. Maar de signalen zijn vooralsnog niet bemoedigend.

De politieke reacties laten zich op voorhand echter al raden. In de ogen van de onderwijsideologen, die de school vanaf de Mammoetwet amper een dag met rust hebben gelaten, ligt het aan de wijze waarop de veranderingen worden ingevoerd. Het had radicaler gemoeten. De pragmatici zullen vermoedelijk pleiten voor aanpassingen om het tij te keren. De laatsten hebben gelijk. Mits ze daaraan ten minste één conclusie durven te verbinden: dat de tijd rijp is om het onderwijs na een kwart eeuw nu niet meer lastig te vallen met grootschalige hervormingen maar alleen nog met kleinschalige aandacht. Want voor één oordeel is het niet te vroeg: namelijk dat de kwaliteit van het onderwijs niet primair afhangt van de theorie in Den Haag maar in de eerste plaats staat of valt met de praktijk van leraar en school elders in het land.