Stappen tot een koninklijke verloving vergen een lange adem

De Grondwet rept met geen woord over de verloving van de Prins van Oranje of van een van de erfopvolgers. Dat is raar want de verloving is minstens zo belangrijk als het huwelijk, meent Menno de Bruyne.

In een vlaag van nooit eerder vertoonde openhartigheid heeft de Rijksvoorlichtingsdienst laten weten dat premier Kok met kroonprins Willem-Alexander heeft gesproken over ,,zijn vriendschap met mevrouw Maxima Zorreguieta, die de Argentijnse nationaliteit heeft.'' Nadere mededelingen zullen niet meer worden gedaan, werd er zekerheidshalve aan toegevoegd.

Dat de RVD zich, in ieder geval voorlopig, zal houden aan deze zelf aangekondigde radiostilte, lijdt geen twijfel. Al was het maar omdat er voor de meest waarschijnlijke volgende stap, namelijk de aankondiging van een verloving, eerst nog heel wat water door de Rijn en de Rio de la Plata zal moeten stromen.

Afgaande op de letter van het staatsrecht stelt zo'n verloving overigens niets voor. In de Grondwet noch in een van de andere `wetten des lands' wordt ook maar één letter gewijd aan de verloving van de Prins van Oranje of van een van de erfopvolgers. Eigenlijk is dat raar, want er is veel voor te zeggen dat de verloving van de kroonprins (of van een van z'n broers of neven) minstens zo belangrijk is als zijn huwelijk. Immers, als er geen kink in de liefdeskabel komt, voert een verloving automatisch tot een huwelijk. En aangezien zo'n huwelijk in Nederland de goedkeuring nodig heeft van zowel het kabinet als de Staten-Generaal, moet op het moment van de verlovingsaankondiging feitelijk al vaststaan of de verloofde daarna ook tot bruid gepromoveerd kan en mag worden.

Mede daarom kan er gevoeglijk van worden uitgegaan dat, voordat het tot de officiële aankondiging komt van de verloving van kroonprins Willem-Alexander met wie dan ook, er achter de Haagse schermen al heel wat is gewikt en gewogen, geïnformeerd en geconsulteerd. Koningin Beatrix en premier Kok zullen het er al vóór de bekendmaking van de verloving over eens moeten zijn dat de jongedame waar de prins zijn oog op heeft laten vallen de toets der kritiek kan doorstaan.

Daarom zal reeds vóór de officiële verlovingsaankondiging al het nodige onderzoek moeten zijn verricht naar de antecedenten van de beoogde verloofde en haar `betrekkingen'. Daar kan niet mee gewacht worden tot ná de verloving. Dat zou, wanneer onverhoopt toch onregelmatigheden of andere bezwaren boven water komen, tot een voor alle betrokkenen pijnlijke situatie kunnen leiden. Denk alleen maar eens aan de publicitaire heisa die dan zou ontstaan, waardoor personen en reputaties blijvend beschadigd zouden kunnen raken. Dat moet voorkomen worden, zeker als het leden van het Koninklijk Huis betreft.

Hoe gevoelig dit ligt, leert de geschiedenis. Een `mooi' voorbeeld is de verloving in 1828 van prinses Marianne, de dochter van koning Willem I, met de Zweedse prins Gustaaf. Punt was dat op het moment van de verloving nog lang niet alles was geregeld wat geregeld had moeten worden. Met name de titulatuur van de Zweed bleek een struikelblok. Hoewel geen lid meer van het regerende vorstenhuis, deed prins Gustaaf nog wél rechten gelden op de Zweedse troon. Dat nu was tegen het zere been van de zittende vorst in dit Scandinavische land. Ook enkele Europese mogendheden, alsmede de broer van prinses Marianne (de latere koning Willem II), lieten doorschemeren grote moeite te hebben met de manier waarop prins Gustaaf zich in Nederland liet betitelen. Men werd het ondanks allerlei onderhandelingen niet eens, waarna de verloving werd verbroken en de afspraken die al gemaakt waren met de prins (waaronder zijn benoeming tot generaal-majoor van het Nederlandse leger) moesten worden teruggedraaid.

De meest omstreden verloving was die van prinses Irene in 1964. Nadat een fotograaf de romance tussen de eerste reserve-troonopvolgster en de Spaanse prins Carel Hugo de Bourbon Parma had onthuld, was iedereen de kluts kwijt. De prinses en haar geliefde, maar ook koningin en prins en het kabinet gingen allemaal hun eigen gang. Uiteindelijk resulteerde dit in de dwaze vertoning dat de familie de Bourbon Parma, zich niets aantrekkend en misschien ook wel onwetend van de constitutionele mores in Nederland, de verloving publiek maakte. Premier Marijnen restte toen weinig anders meer dan het `heugelijke feit' op een inderhaast belegde persconferentie te bevestigen, vergezeld van de mededeling dat het kabinet niet voornemens was voor het voorgenomen huwelijk goedkeuring aan de Staten-Generaal te vragen.

De officiële bekendmaking van de verloving van de huidige koningin Beatrix met prins Claus, één jaar later, verliep evenmin gladjes. Begin mei '65 kreeg premier Cals van koningin Juliana te horen dat hij niets moest zoeken achter geruchten over ene Herr Von Amsberg. Op 20 mei echter meldde de vorstin de minister-president dat prinses Beatrix van plan was zich te verloven met de reeds gesignaleerde Duitse `vriend'. Naar buiten brengen mocht Cals echter niets, zelfs tegenover zijn medeministers moest hij zwijgen. Die op zich al onmogelijke situatie werd onhoudbaar toen Cals vernam dat de zwijgplicht waar híj zich wél strikt aan hield, door leden van de koninklijke familie zélf níet in acht werd genomen. De premier lichtte daarop alsnog zijn collega's in. Op 28 juni werd de verloving officieel naar buiten gebracht.

Ook vóór de oorlog, toen de wil van het staatshoofd méér wet was dan daarna, werden vorstelijke verlovingen min of meer behandeld als `staatszaak'. De verloving van koningin Wilhelmina met prins Hendrik in 1900 werd, nadat tussen de families en in overleg met het kabinet in het geheim allerlei `arrangementen' waren getroffen, in een door Hare Majesteit zelf en de ministers ondertekende proclamatie in de Staatscourant bekendgemaakt. De toenmalige eerste minister, Pierson, was zeer nauw betrokken bij het opstellen van de tekst van die proclamatie. Hij werd er zelfs voor uit Den Haag naar Het Loo ontboden en bleef er de nacht voor over in Apeldoorn.

De verloving van prinses Juliana en prins Bernhard werd op 8 september 1936 bekendgemaakt door de regeringspersdienst (voorloper van de Rijksvoorlichtingsdienst). Eén dag later volgden zowaar radiotoespraken van koningin Wilhelmina, de prinses én haar verloofde. Ook dáár was achter de schermen al heel wat overleg en gepuzzel aan voorafgegaan. Vóór de verloving was alles al tot in de puntjes geregeld, zoals het huwelijk, het vragen van parlementaire goedkeuring, de financiën van de prins-gemaal en de opvoeding van de eventuele kinderen.

Een (kroon)prinselijke verloving gaat niet buiten `de politiek' om. Dat geldt eens te meer voor de verloving van de kroonprins, die per slot van rekening de `eerste reserve' is. Hij is het toekomstige staatshoofd en zijn verloofde de toekomstige koningin. De minister-president is de eerst aangewezene en de eerst verantwoordelijke om ervoor te zorgen dat als gevolg van die vriendschap, misschien uitmondend in een verbintenis, niets kan gebeuren waardoor het Koninklijk Huis in verlegenheid gebracht zou kunnen worden. Mede tegen deze achtergrond heeft de premier recht van inspraak bij (de aankondiging van) de verloving van de Prins van Oranje.

Menno de Bruyne is medewerker van de SGP-fractie in de Tweede Kamer.