Stadsbank van Lening

De Stadsbank van Lening op de Amsterdamse Wallen kent een lange geschiedenis. De bank werd in 1614 met een sociaal doel opgericht: een einde maken aan `onbehoorlijke woekerijen' van particuliere banken. De armen, maar ook vermogende `luyden' in geldnood waren kind aan huis bij de bank. Na geldverslindende veldtochten tegen de Spanjaarden beleende prins Willem van Oranje zijn zilveren servies. Ook de Britse koning Edward III en Johan Maurits van Nassau behoorden tot de cliëntèle van de bank.

In de volksmond wordt de Stadsbank van Lening `lommerd', `Ome Jan' of ook wel `stoep der schaamte' genoemd. ,,Lommerd gebruiken wij liever niet'', zegt J. van Meenen, hoofd materiële zaken van de Stadsbank van Lening. ,,Dat heeft zo'n armoedige klank.''

De handelingen die worden verricht om geld te krijgen op onderpand van goederen zijn de afgelopen vier eeuwen nauwelijks veranderd. De klant komt aan de balie met iets dat ,,onder de arm meegenomen moet kunnen worden''. De taxateur bepaalt de waarde. Met contant geld, meestal ongeveer eenvijfde van de nieuwwaarde, en een pandbrief verlaat de klant binnen vijf minuten de bank. De bank vraagt een legitimatie, maar niets over de kredietwaardigheid van de klant.

Het laagste bedrag dat de Stadsbank uitbetaalt, is vijf gulden. Meestal ligt het rond de vijfhonderd gulden. De hoogste beleensom die tot nu toe werd uitgegeven in Amsterdam was een miljoen gulden voor juwelen. Binnen zes maanden kan de ex-eigenaar, na inlevering

van het pandbewijs en betaling van de rente – ongeveer 10 procent – zijn eigendom terugkopen.

Bijna 95 procent van de klanten koopt zijn bezit terug. Komen ze niet meer opdagen, dan wordt het geveild. De winst komt toe aan de ex-eigenaar. Laat deze niets van zich horen, dan mag de Stadsbank het `overschot' op eigen rekening bijschrijven. Dit komt neer op bijna een miljoen gulden per jaar. Uiteindelijk vloeit dit geld in de kas van de gemeente, want de Stadsbank mag geen winst maken.

Ondanks vele dieptepunten en een imagoprobleem, mensen vertellen immers liever niet dat ze bij de Stadsbank moeten aankloppen voor geld, heeft de bank de tand des tijds doorstaan. De bank is met de Haagse Gemeentelijke Kredietbank de enige overgebleven gemeentelijke instelling waar goederen in onderpand kunnen worden gebracht. Inmiddels zijn beide banken bloeiende bedrijven. De Stadsbank heeft een omzet van 112 miljoen gulden. ,,We mogen niet mopperen'', zegt Van Meenen. ,,Maar je kan het ook als een slecht teken zien – er vanuit gaande dat we er zijn om de armoede te bestrijden.''

De opleving van de Stadsbank sinds de jaren tachtig is volgens Van Meenen voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de komst van `nieuwe Nederlanders'. ,,Het staat buiten kijf dat allochtonen heel belangrijk zijn voor ons. Turken, Marokkanen en vooral Surinamers hebben snel de weg naar de Stadsbank gevonden en schamen zich veel minder dan autochtone Nederlanders'', zegt Van Meenen. ,,Als hun koelkast stuk is, leggen ze zo hun armband af.''

Meestal zijn het juwelen, maar Van Meenen ziet mensen met de raarste spullen binnenkomen. Ooit kwam er iemand met een koffertje vol zweepjes en pikant ondergoed. Een ander wilde zijn boot belenen. ,,De klant dacht dat wij hem hier in de gracht konden neerleggen.''

Gerben van der Marel