STAATSSCHULD

De staat der Nederlanden heeft een totale schuld uitstaan van 518.356.000.000 (518,4 miljard) gulden. Dat komt overeen met tweederde (66,6 procent) van de totale productie van de Nederlandse economie dit jaar. Per hoofd van de bevolking bedraagt de staatsschuld zo'n 32.000 gulden. Over deze schuld betaalt de staat dit jaar 31,2 miljard gulden aan rente. Na Onderwijs is de rentepost de grootste uitgavenpost op de Rijksbegroting.

De overheid financiert haar schuld door staatsleningen uit te schrijven. Dit wordt georganiseerd door het Agentschap van het ministerie van Financiën. De staatsleningen werden tot enkele jaren geleden voor een deel `onderhands' geplaatst bij enkele grote pensioenfondsen. Het ambtenarenpensioenfonds ABP was bijvoorbeeld verplicht om het grootste deel van zijn geld te beleggen in staatsobligaties. Tegenwoordig worden de staatsleningen allemaal direct op de kapitaalmarkt aangeboden.

In absolute bedragen neemt de staatsschuld nog steeds een beetje toe, maar relatief gezien daalt deze sinds 1993. Toen bereikte de staatsschuld als percentage van het bruto binnenlands product een piek van 81,2 procent.

De stijging van de staatsschuld zette eind jaren zeventig in. Dat was het gevolg van oplopende tekorten. Hoewel ten tijde van het kabinet-Den Uyl de staatsinkomsten toenamen door de koppeling van de aardgasprijzen aan die van olie, stegen de uitgaven harder, met name voor de uitbreiding van de sociale zekerheid. Het sobere naoorlogse beheer van de overheidsfinanciën raakte uit de mode.

De geschiedenis van de Nederlandse staatsschuld onder zeven ministers van Financiën.

Zijlstra

Begin jaren zestig bedacht minister van Financiën Zijlstra het `structurele begrotingsbeleid'. Op basis van de te verwachten economische groei berekende Zijlstra wat de `structurele' financiële ruimte voor de begroting was. Hiervan kon worden afgeleid hoeveel geld er jaarlijks te besteden was.

Duisenberg Toen in de loop van de jaren zeventig duidelijk werd dat het overheidstekort begon op te lopen, stelde minister van Financiën Duisenberg de `1-procentsoperatie' voor om de groei van de uitgaven af te remmen. Dit mislukte.

Andriessen en Van der Stee In 1980 trad minister van Financiën Andriessen af omdat hij in het kabinet-Van Agt/Wiegel geen steun kreeg voor bezuinigingen.

Ondanks het bezuinigingsprogramma `Bestek `81' liepen onder minister van Financiën Van der Stee (kabinetten-Van Agt I, II en III) de overheidsfinanciën verder uit de hand. Nederland stond internationaal bekend als het land van de `Hollandse ziekte'. De economische groei werd systematisch te hoog ingeschat en veel tijdelijke tegenvallers bleken te leiden tot blijvend hogere uitgaven. Bovendien bleek er een grote inflexibiliteit in de overheidsuitgaven te bestaan: de collectieve uitgaven gingen gemakkelijk omhoog en vrijwel niet omlaag.

Ruding en Kok Pas met het aantreden van minister van Financiën Ruding eind 1982 in het eerste kabinet-Lubbers werd een begin gemaakt met de sanering van de overheidsfinanciën. Het begrotingstekort, dat een piek bereikte in 1982-83, daalde maar liep vervolgens in 1986-87 weer op als gevolg van de halvering van de aardgasbaten door de sterk gedaalde olieprijzen.

De staatsschuld bleef intussen door de opeenstapeling van overheidstekorten plus de daarover verschuldigde rente jaarlijks stijgen. Want ook al daalden de tekorten, zolang ze hoger waren dan de economische groei bleef de schuldquote (de staatsschuld als percentage van het bruto binnenlandse product) stijgen.

Tijdens het tweede kabinet-Lubbers liet Ruding de teugels iets vieren, maar onder zijn opvolger Kok in Lubbers' derde regeerperiode nam de begrotingsdiscipline weer toe.

Zalm Pas onder minister Zalm in het kabinet-Kok I begon de schuldquote te dalen. Zalm introduceerde het `trendmatig begrotingsbeleid', een variant op de Zijlstra-norm uit de jaren zestig. Voor de uitgaven van de collectieve sector – rijksoverheid, sociale zekerheid en gezondheidszorg – werd een `ijklijn' vastgesteld op basis van de verwachte economische groei. Deze groei werd met opzet behoedzaam – dat wil zeggen laag – ingeschat. Overschrijding van het uitgavenplafond was niet toegestaan, terwijl mee- en tegenvallers aan de inkomstenkant gebruikt moesten worden voor vermindering van de overheidsschuld en lastenverlichting.

Het kabinet-Kok I werd tot deze aanpak mede gedwongen door de EMU-norm. In het verdrag van Maastricht (1992) is vastgelegd dat landen aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) mochten meedoen als ze een financieringstekort hadden van maximaal drie procent van het bbp en een staatsschuld van maximaal zestig procent of een schuld die `in bevredigend tempo' afnam naar zestig procent (artikel 104 C-2). Nederland voldeed niet aan het staatsschuldcriterium. Toen de EU-lidstaten begin 1998 vaststelden welke landen aan de EMU mochten deelnemen, moest Nederland zich dan ook beroepen op een bevredigende daling van de schuldquote.

Het ziet er naar uit dat de Nederlandse staatsschuld volgend jaar in de buurt van de EMU-grens van zestig procent komt. In het laatste jaar van het kabinet-Den Uyl (1977) was de staatsschuld volgens de EMU-norm veertig procent.

ROEL JANSSEN