Rijker en rijker op krediet

Aandelen en woonhuizen zijn extreem in waarde gestegen. Maar de schulden waarvoor ze als onderpand dienen gingen nóg sneller omhoog.

,,In de onroerendgoedsector kunnen marktwaarden razendsnel stijgen en dalen. Ze zijn beweeglijk, flexibel – zie het als een soort dans.'' De Wiz liet zijn vingers bij `dans' even houterig wapperen. ,,Maar een schuld, die beweegt niet, dat is een rotsblok, een berg. Die komt niet van zijn plaats.''

(Uit: In alles een man, Tom Wolfe)

DE WIZ, DE JONGE FINANCIËLE directeur van Charlie Crokers wankelende projectontwikkelingsimperium in Tom Wolfe's jongste roman, debiteert hierboven een waarheid als een koe. Hoe hoog een schuld is maakt niet uit, als er maar voldoende bezit of inkomen tegenover staat. Maar terwijl de waarde van bezit kan variëren en een inkomen kan wegvallen, blijft een schuld er voor altijd.

Dat geldt voor bedrijven, maar ook voor de Nederlandse consument. Het vermogen om schulden te kunnen dragen is bij ondernemingen vervat in de `solvabiliteit'. Die is te berekenen uit de bedrijfsbalans. Simpel gesteld staat aan de linkerkant, de actiefzijde, van die balans de waarde van alle bezittingen van de onderneming bij elkaar opgeteld. Aan de rechterkant, de passiefzijde, staat weergegeven hoe die bezittingen zijn gefinancierd: voor een deel zal dat met schulden zijn, waarvan sommige langlopend zijn en andere kortlopend en direct opvraagbaar. Voor grofweg het overige deel zal dat het eigen vermogen zijn: het eigen kapitaal waarmee het bedrijf zijn bezit financiert. Het balanstotaal is aan de linkerkant het totaal aan bezittingen (activa), en aan de rechterkant het totaal van schulden en eigen vermogen (passiva).

De solvabiliteit, het vermogen om op de lange termijn aan de schuldverplichtingen te kunnen voldoen, wordt berekend door het eigen vermogen te nemen als percentage van het totaal aan bezittingen – het balanstotaal. Is de solvabiliteit hoog en neemt hij toe, dan verbetert de financiële positie. Is de solvabiliteit laag, en neemt hij af, dan verslechtert die positie en wordt de onderneming meer kwetsbaar voor tegenvallers.

Hoe zit dat met de Nederlandse consument? Die is in de jaren negentig gemiddeld puissant rijk geworden. Begin jaren negentig schommelde de AEX-index, de graadmeter van de beurskoersen in Amsterdam, nog onder de 140 punten. Aan het eind van het decennium staat de index op 560 punten: de koersen zijn verviervoudigd. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) houdt het effectenbezit bij van de bevolking, en komt voor 1994 op een totale waarde van 185 miljard gulden, die in 1997 – het jongste jaar dat beschikbaar is – blijkt te zijn gestegen naar 240 miljard gulden. Op basis van sindsdien gestegen koersen van aandelen en obligaties mag worden geschat dat dit bedrag nu rond de 320 miljard gulden ligt.

Belangrijker nog als bron van vermogen is de eigen woning. De waarde van alle eigen woningen samen is gestegen van onder de 500 miljard begin jaren negentig naar 630 miljard in 1994 en 913 miljard in 1997. Uitgaande van de sindsdien gesignaleerde prijsstijgen op de woningmarkt is die waarde nu tegen de 1.100 miljard gulden.

Voor alle bezittingen samen – banktegoeden, ondernemingsvermogen en dergelijke incluis – geldt dat de waarde is toegenomen van 1.189 miljard in 1994 tot 1.587 miljard in 1997. In de eerste helft van 1999 moet dat zo'n 1.875 miljard zijn geworden. Maar tegelijkertijd zijn de schulden ook toegenomen, en zelfs sterker dan de waarde van het bezit. Stond er in 1994 nog 329 miljard aan schulden uit, in 1997 was dat bedrag gestegen tot 478 miljard. De ontwikkeling van het totaal uitstaande bedrag aan hypotheken en de groei van de consumptieve kredietverlening sindsdien leiden naar schatting tot een totale schuld van rond 615 miljard in 1999.

Met het aangaan van meer schulden heeft de consument de waardestijging van zijn bezit verzilverd. Dat verklaart dat de consumptieve bestedingen in de loop van de jaren negentig zo sterk zijn gegroeid en de motor zijn achter de bovenmatige prestaties van de Nederlandse economie. De vrije besparingen (afgezien van de verplichte afdracht aan bijvoorbeeld pensioenen) van huishoudens zijn de laatste tien jaar dramatisch teruggelopen. Bedroegen deze besparingen in 1990 nog 5,8 procent van het bruto binnenlands product, vanaf 1997 constateert de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor het eerst in de geschiedenis negatieve besparingen in Nederland. Die lopen dit jaar op tot -1,1 procent van het bbp. Nederland ontspaart.

Hoe veel makkelijker de Nederlander omgaat met schulden blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de persoonlijke lening de laatste tien jaar verdrongen is door het continue krediet. En uit het feit dat banken hun limieten op betaalrekeningen (het bedrag waarvoor rood mag worden gestaan) in die periode hebben verdubbeld.

En Nederland wordt dan ook minder solvabel: de schulden zijn immers sterker gestegen dan het bezit. Uitgezonderd het in pensioenfondsen opgebouwde vermogen (dat het CBS in zijn telling niet meeneemt) is de solvabiliteit van Nederlandse huishoudens gedaald van 72 procent in 1994 tot 70 procent in 1997 en bedraagt op dit moment rond de 67 procent. Hoewel dat nog steeds een hoog percentage is, is de Nederlandse consument ondanks zijn papieren rijkdom dus kwetsbaarder geworden voor tegenvallers.

Is dat gevaarlijk? De OESO constateerde in juni dat de schulden van huishoudens, als deel van het besteedbare inkomen, in Nederland sinds 1990 zijn verdubbeld. De OESO waarschuwde dat de economie daardoor kwetsbaar is geworden voor prijsschokken op de vastgoed- en aandelenmarkt. De extreem hoge consumptie, die het gevolg is geweest van het door middel van schulden verzilveren van de waardestijging van het bezit, kan omslaan in een ondermaatse consumptie als alle schulden plotseling als een loden last op de schouders van de consument gaan wegen. De waarde van het onderpand van die schulden, aandelen en woningen, kan immers evengoed weer dalen. Maar de schuld beweegt niet, dat is een berg. Die komt niet van zijn plaats.

    • Maarten Schinkel