Reserves gezondheidszorg niet voor hulp

De zorginstellingen hebben veel grotere reserves dan eigenlijk is toegestaan. Er is nauwelijks toezicht op de besteding van dat geld en het wordt zeker niet gebruikt voor hulp.

De gezondheidszorg heeft de afgelopen jaren in stilte goed `geboerd'. Terwijl er vrijwel geen week voorbij ging zonder een noodbrief uit de sector over hulp die door geldgebrek niet zou kunnen worden gegeven, bouwden ziekenhuizen, verpleeghuizen, thuiszorg en inrichtingen voor psychiatrie en gehandicapten een forse reserve op: ruim vijf miljard gulden. Daarbij is het vermogen van verzorgingshuizen, dat niet centraal is geregistreerd, nog buiten schot gebleven.

Ook elke behoorlijk geleide sportvereniging houdt er reserves op na. Verenigingen hebben nu eenmaal een zekere financiële buffer nodig om de onvermijdelijke wisselvalligheden in de bedrijfsvoering te kunnen opvangen. Het overschot uit het ene jaar wordt gebruikt voor het wegwerken van een tekort in een ander jaar. In de zorgsector is dat niet anders. Hoeveel geld er voor een onbelemmerde bedrijfsvoering moet worden gereserveerd hangt af van de risico's die worden gelopen. Voor de zorginstellingen zijn die gering, zeker in vergelijking met commerciële bedrijven. Ze zijn verzekerd van hun klandizie en mogen bij de verzekeraars tarieven in rekening brengen die in principe kostendekkend zijn.

Voor het waarborgfonds voor de zorg, dat het instellingen mogelijk maakt `goedkoper' te lenen voor (nieuw)bouw of investeringen, is het voldoende als het vermogen van een ziekenhuis, verpleeghuis of inrichting vijf procent van het jaarlijkse budget bedraagt. Inmiddels hebben de instellingen echter reserves opgebouwd die een veelvoud van dat percentage zijn. Ziekenhuizen hebben een vermogen van 13 procent van het budget, academische ziekenhuizen 22 procent, psychiatrische ziekenhuizen ruim 16 procent, verpleeghuizen 15 procent, thuiszorg en inrichtingen ruim 12 procent.

Behalve als `buffer' voor de bedrijfsvoering moeten instellingen soms ook geld reserveren voor de financiering van aangegane verplichtingen. Dit geld hoort in de jaarrekening onder de post `voorzieningen' te worden geboekt. Om er zeker van te zijn dat alleen het geld dat daar echt voor nodig is onder deze post terecht komt, wordt gewerkt aan scherpere regels voor het opstellen van het jaarverslag. Minister Borst (Volksgezondheid) wil zo voorkomen dat dit geld niet bij het bedrag wordt opgeteld dat er als reserve op na mag worden gehouden. Volgens de minister is wat de instellingen op dit moment als voorziening opvoeren ,,boterzacht'' en hoort dat geld gewoon als reserve te worden geboekt.

Maar ook met scherpere regels voor het jaarverslag kan de minister niet voorkomen dat ziekenhuizen, verpleeghuizen, thuiszorg en inrichtingen jaarlijks geld overhouden: directies die hun budget overschrijden worden daarvoor immers ter verantwoording geroepen door hun raden van toezicht. Dit verklaart voor een deel de reserves. De directies spelen liever op `safe' en sturen dus elk jaar aan op een overschot.

Daarnaast kennen verpleeghuizen en inrichtingen nog een ander probleem: in beide sectoren komt het nog wel eens voor dat patiënten de instelling waar ze zijn verzorgd een legaat nalaten. Vaak is daar door de gever een bestemming aan gegeven, waardoor het geld (of de grond) niet zomaar te gebruiken is voor het verlenen van hulp.

Op de besteding van dat opgepotte geld bestaat nauwelijks toezicht. Er zijn instellingen waar het op een rekening bij de bank staat. Maar er zijn ook directies die het vermogen beleggen in aandelen of in andere risicovolle fondsen of die het geld gebruiken het voor financiering van allerlei soorten stichtingen of bedrijven. Of directies er ook mee `bankieren' is niet bekend: zeker is wel dat het niet aan hulp wordt besteed.