Hoe de Hollandse rijping teloorging

Nederland mag dan historisch niet bekend staan om zijn wijnconsumptie, in de wijnhándel heeft het land zeer zeker wel meegeteld. Met de consumptie gaat het inmiddels ook een stuk beter, nadat eerder deze eeuw een dieptepunt werd bereikt. En Chileense wijn is eigenlijk niets nieuws. Deze en andere wetenswaardigheden blijken uit de honderdjarige geschiedenis van de Centrale Vereniging van Nederlandse Wijnhandelaren.

Hollanders en wijn – ze hebben al eeuwen wat met elkaar, zonder dat hierbij het Grote Genieten voorop staat. Wijn is handel. Het werd eeuwenlang geïmporteerd, `verbeterd' en voor een veel hogere prijs doorverkocht. De geheime procédés van dit verbeteren (waarschijnlijk bestaande uit versnijden, toevoegen van pure alcohol en/of suiker en aanlengen met water) legde de handel geen windeieren. Wat op het etiket van een wijnfles stond, zei vroeger zelden iets over de reële inhoud, op de topwijnen na, getuige bijvoorbeeld het negentiende-eeuwse etiket `onversneden' dat speciaal werd ontwikkeld.

Wijnhandelaren in Nederland werkten onafhankelijk van elkaar, voortkomend uit de individuele macht van plaatselijke Gildes van Wijnhandelaren, die tot aan het einde van de zestiende eeuw hadden bestaan. Primair doel was hun cliëntèle van lekkere wijn te voorzien en hoe die wijn tot stand kwam of waar hij vandaan kwam, was minder belangrijk. Bijna alle wijn werd op fust ingevoerd; in ons koele klimaat rijpte deze onder uitstekende condities, tot hij goed genoeg werd bevonden om te worden gebotteld en verkocht. In deze fase kon een wijn uit een matig jaar – veelal Bordeaux – worden opgepept met bijvoorbeeld een stevige Rhônewijn of wijn uit Noord-Afrika. Dat was niet verboden en het doel, de wijn `lekker' maken, was bereikt.

In 1898 kwam er een eind aan het collegiale isolement van de wijnhandelaren. Een belangrijke accijnsverhoging op wijn dreigde – vijf gulden per hectoliter – en men ervoer dit als een affront. Wijnhandelaren in Rotterdam sloegen de handen ineen en kregen ondanks primitieve communicatiemiddelen binnen enkele dagen 301 handtekeningen bij elkaar, die met een petitie tot afschaffing van de nieuwe accijnswet aan minister Pierson werden aangeboden. En zie: het had effect, de accijnsverhoging ging niet door. En zo kwam het idee op een vereniging op te richten.

De Vereniging van Nederlandse Wijnhandelaren had vanaf haar begin in 1899 een aantal nobele doelstellingen in haar vaandel: in de eerste plaats het waken over de penningen voor vadertje staat, maar ook de bewaking van de kwaliteit van de wijn en het regelen van soepele transportmogelijkheden. De aangesloten wijnhandelaren (in het eerste jaar achttien in getal, later oplopend tot ruim honderd) wilden excessen in de praktijk van het `verbeteren' van de wijn (zoals het toevoegen van water aan de wijn) voorkomen. Uiteindelijk zouden die immers een negatief effect op de serieuze wijnhandelaar hebben.

De oprichting van de Vereniging kwam op een moment dat de wijnconsumptie in Nederland naar een erbarmelijk dieptepunt sukkelde. Was het in 1860 nog 2,65 liter per hoofd van de bevolking, in 1907 was het niet meer dan 1,5 liter. De Eerste Wereldoorlog zorgde voor nog een extra belemmering in de wijnconsumptie, en voor fors stijgende prijzen voor transport en accijns. Gebundelde convooien over de met mijnen bezaaide handelsroutes over zee boden uitkomst, zodat Nederland niet helemaal droog kwam te staan. De angst voor drooglegging was niet ongegrond, getuige de oprichting in 1920 van de TOBOD, het comité Tegen Onmatige Bestrijding Onzer Drankgewoonten, een voorloper van de Stiva en een mooie prelude op `geniet, maar drink met mate'. De drooglegging van Amerika in 1919 was een gruwelspook voor onze wijnhandel. De wijnconsumptie in Nederland bleef in de jaren na de Eerste Wereldoorlog rond de 1,75 liter per jaar per capita, met als record dieptepunt de crisisjaren, toen het getal tot onder de 1 liter dook.

Voor de VNW was 1929 een belangrijk jaar, aangezien toen eindelijk het Wijnbesluit werd afgekondigd; dit hield in dat in een fles wijn datgene moest zitten wat ook op het etiket stond vermeld. Het was de finale van dertig jaar bemoeienis met kwaliteitsbewaking. De VNW hield met organoleptische keuringen de kwaliteitscontrole voor het Rijk in de hand en hielp ook bij het ten uitvoer brengen van het Wijnbesluit. Enkele jaren later zou Frankrijk zijn appellation

d'origine contrôlée-wetgeving invoeren, waardoor het niet langer mogelijk was om (wettig) een magere Bordeaux op te vrolijken met een beetje pittige Hermitage. Hierdoor werd het ook steeds moeilijker om wijn in vaten te importeren, omdat een aantal châteaux naar aanleiding van het initiatief van Baron Philippe de Rothschild, zijn wijn ter bescherming van de kwaliteit op het eigen bezit ging bottelen. Daarmee ging langzaam maar zeker de mogelijkheid verloren om de wijnen hun zo geprezen `Hollandse rijping' te geven. Werd er bij de oprichting van de VNW 80 procent van de wijn op fust geïmporteerd en 20 procent op fles, nu is dat omgekeerd: nog 20 procent wordt op fust geïmporteerd en door de enkele zelfbottelaar die is overgebleven ter plaatse gebotteld.

Wat dronk men zoal in die jaren tussen de twee Wereldoorlogen? Wie denkt dat Frankrijk altijd de grootste leverancier van onze wijnen is geweest, vergist zich danig: jarenlang waren dat Griekenland en Spanje, leveranciers van zoete witte en rode wijnen, geschikt voor de `democratisering van het wijndrinken voor den arbeider' in de jaren twintig. Griekenland was in 1929 de grootste exporteur met niet minder dan 4.012.000 liter. Frankrijk kwam na Spanje op de derde plaats met 3.847.000 liter. Merkwaardig is de plaats van Chili (hoe zo, nieuwe wijnlanden?!) op deze lijst, met 2.336.000 liter een verrassende vierde op de ranglijst. Deze plaats heeft Chili zelfs nu nog niet weer ingenomen! Overigens kwam geen enkele van deze Chileense liters onder eigen etiket op de markt: de wijn werd waarschijnlijk gewoon als `Fransche wijn' op de markt gebracht voor een lage prijs, of versneden met echte Franse wijn, om deze wat op te peppen.

De VNW ging na 1929 een aantal moeilijke jaren door: eerst de crisisjaren, toen wijn niet tot de levensmiddelen behoorde waaraan men zo gauw zijn weinige centen uitgaf, vanaf 1940-1945 de Tweede Wereldoorlog, gevolgd door de malaise van de wederopbouw. Toch was in 1936 de prijs van een fles Franse wijn verrassend hoog in vergelijking met de huidige gemiddeld uitgegeven prijs, namelijk ƒ1,50. Vermenigvuldig dat met een factor 10 naar het heden, en wij zouden nu gemiddeld ƒ15,- per fles moeten uitgeven, terwijl de prijs (voorlopig) op een bedroevende ƒ7,50 blijft hangen. Hiervan gaat, ondanks de bemoeienissen van de CVNW rond de accijns, 1 gulden naar de fiscus, of de fles die u drinkt nu ƒ100,- of ƒ5,95 kost.

Ondanks de pogingen om meer mensen aan de wijn te krijgen zal bij `den arbeider' niet dagelijks een flesje wijn op tafel hebben gestaan, zelfs geen goedkope Griekse of Spaanse. Ook de geconsumeerde liters bier per hoofd daalden in deze tijd drastisch, van 26,44 liter in de periode 1925-29 tot 14,47 in 1935-37. Om de zorgen rond het kwartje van Colijn en de vetcontroles van de Steunbureaus even te vergeten was er nog maar geld voor 0,75 liter gedistilleerd in de portemonnees van die tijd. Des te opvallender is het feit dat juist in deze zwarte crisistijd het Gildeglas, ontwerp van de Leerdamse glasontwerper Andreas Copier, in het begin van de jaren dertig zijn intree deed op de markt, gesteund door de Vereniging van Wijnhandelaren. Al eerder had de VNW een grote stap gezet in de strijd tegen onregelmatigheden bij flesmaten door bij Leerdam een flesontwerp te laten maken met een standaardinhoud van 075 l. Dit bleek een groot succes, vooral tegen frauderen met inhoudsmaten; het Gildeglas zou in zekere zin de wijndrinkmaat gaan standaardiseren. Het glas werd een ongekend succes en wordt nog steeds gebruikt. Ter gelegenheid van haar honderdste verjaardag heeft de CVNW overigens weer een glas laten ontwerpen, ditmaal door Siem van der Marel, het Ultimate Leerdam-glas, een sierlijk, universeel proef- en drinkglas.

Na de crisisjaren, de bezetting van Abessinië door Italië in 1936 (geen Italiaanse wijn door een embargo) en de drie jaar durende Spaanse Burgeroorlog (hoe kom ik aan zoete wijn en sherry), barstte in 1939 de Tweede Wereldoorlog uit. Deze keer bleef Nederland niet neutraal en hoe hier te lande in deze oorlog überhaupt nog wijn kon worden gedronken, is een wonder. De bezetter confisqueerde bijna alle spiritualiën waar hij de hand op kon leggen en geldverkeer met het buitenland was niet of nauwelijks meer mogelijk. De inventiviteit van de Nederlanders kent echter geen grenzen. Een aantal wijnhandelaren legde contacten met het bedrijfsleven om via ruilhandel met het buitenland toch aan wijn te komen en – zij het in mineur – de oorlog te overleven. Nederlands oudste wijnhandel, Jacobus Boelen, ruilde zo sherry tegen gloeilampen van Philips en Norit (!) tegen port. Overigens werd de partij sherry waarover anderhalf jaar heen en weer was geschreven alsnog door de Meelfabrieken, die het distributienet voor levensmiddelen in handen had, van Boelen afgenomen. Iets later werd de sherry door de Duitsers gerequireerd. In 1943 moesten alle verenigingen worden ontbonden, ook de VNW. Via een wel gedoogde suborganisatie bleef zij functioneren tot de heroprichting in 1950. Toen werd de naam Centrale Vereniging van Nederlandse Wijnhandelaren, om nogmaals de (zeker door de oorlog versterkte) wederzijdse betrokkenheid te benadrukken.

Ook na de oorlog bleef kwaliteits- en prijsbewaking de belangrijkste activiteit van de Vereniging, naast bemoeienissen om het transport vanuit het buitenland en binnen de grenzen zo soepel en goedkoop mogelijk te laten verlopen. In de jaren '60 maakte men de explosie van de sherryimport mee (van 5 naar 20% van het marktaandeel in enkele jaren), in de jaren '70 de groeiende dorst van de Nederlandse wijndrinker. Het stijgende aantal buitenlandse reizen en de bijbehorende inkomensstijging van de Nederlanders was daar zeker mede debet aan. Dankzij de oprichting van de EEG in 1957 ging de soms brandende kwestie van de invoerrechten tot het verleden behoren, maar op 1 januari 1976 ging wel het binnenlands accijns met 100 procent omhoog, van ƒ41,38 per hectoliter naar maar liefst ƒ82,76. De Staat is immer dorstig, want op het ogenblik is het accijns ƒ107,50 op een hectoliter.

Toch kan het CVNW zijn eerste centennium afsluiten met wederom een fikse overwinning op het ministerie van Financiën: in 1996 werd, na zeven jaar juridische strijd, de wijnhandel een bedrag van 400 miljoen gulden toegekend aan te veel betaalde accijns over stille (niet-mousserende) wijn. Vruchtenwijn werd namelijk niet belast en druivenwijn wel – hierin lag een onregelmatigheid waar de alerte CVNW bovenop is gesprongen. Na dit gewonnen proces wordt overigens vruchtenwijn ook belast met accijns...

Na honderd jaar goede betrekkingen met de Staat – die net zo op de penning is als de wijnhandelaren en hun accijnsstrijd vast wel begrijpt – en het Vorstenhuis – de belichaming van `geniet maar drink met mate' – wordt de CVNW vandaag dan Koninklijk. Een ware kroon op honderd jaar werk, die de bescherming van onze geliefde drank voor de toekomst garandeert.