Het Ministerie van Amerikaanse Zaken (1)

De minister van Economische Zaken – al weer een jaar is dat Annemarie Jorritsma – zond op 21 juni j.l. haar eerste 'industriebrief', Ruimte voor Industriële Vernieuwing: Agenda voor het industrie- en dienstenbeleid, naar de Tweede Kamer (te bestellen via www.minez.nl). Je zou verwachten dat zo'n beleidsnota vertrekt van reële sterktes en zwaktes van de Nederlandse economie. Pogingen tot dergelijke sterkte/zwakte-analyse zijn het voorbije decennium geregeld gedaan, ondermeer in de fameuze nota's Toets op het concurrentievermogen uit 1995 en 1997. Daaruit kwam telkens een vrij genuanceerd beeld van de Nederlandse economie naar voren. Op bepaalde punten waren we sterk, op andere zwakker. Dat beeld werd in sectorale deelstudies verder onderbouwd.

Je zou dit genuanceerde beeld dus kunnen nemen als vertrekpunt om te zien waar zwaktes aangepakt en sterktes mogelijk verder versterkt kunnen worden. Maar neen, het was blijkbaar weer tijd voor gloom and doom. Het is u misschien niet opgevallen, maar volgens EZ gaat het niet goed met Nederland en al helemaal niet met zijn innovatievermogen. Het aantal Nederlandse starters mag het voorbije decennium dan wel ontzettend zijn toegenomen, jammer genoeg waren dat niet de goede starters: niet genoeg hightech. ,,Zo neemt Nederland een tiende plaats in op de Europese ranglijst van starters in de bio-technologie'' (pagina 33). Maar misschien zijn er wel meer starters in de nieuwe media? Als een land ergens goed in is, is het ook ergens niet goed in. En sinds Ricardo in de vorige eeuw weten we dat het voor een land niet slim is overal goed in proberen te zijn.

Het verbaast dan ook enigzins te lezen dat de Nederlandse overheid blauwdrukdenken in het industriebeleid altijd heeft afgewezen (pagina 9). De RSV-ervaring, waarbij de ambtenaren van EZ gedetailleerd voorschreven welke scheepswerven zich met welke activiteiten mochten bezighouden, is blijkbaar definitief naar het collectieve onderbewustzijn verbannen. Maar als we niet aan blaudrukken doen, waarom dan zeuren over te weinig starters in de biotech? Waarom dan stellen dat een sterk ICT-cluster [ICT = Informatie- en Communicatietechnologie] in Nederland van essentieel belang is voor onze toekomstige welvaartsontwikkeling (pagina 21)? Natuurlijk is ICT erg belangrijk, vergelijkbaar met water, lucht of elektriciteit. Bijna alle bedrijven zijn daar tegenwoordig mee bezig, maar stel dat we die technologie vooral toepassen in slachthuisinstallaties, baggerschepen, de detailhandel en het bankwezen, wat is dan het probleem? Enkele jaren geleden hadden EZ-ambtenaren het nog wel eens schamper over hightech-fetisjisme, maar dat is intussen blijkbaar weer in de mode. Overigens heb je in Brabant nog wel een leuke wereldfabrikant van machines voor de microchipindustrie en is ook dat bekende softwarebedrijf op de Veluwe nog niet failliet.

Een goed industriebeleid (in de zin van industrie- en dienstenbeleid) is erg belangrijk. Ik kom daar de volgende keer nog op terug. Maar eerst wil ik illustreren hoe zorgvuldig stellingen onderbouwd worden bij dit ministerie dat kennisintensiteit en specialisatie zo hoog in het vaandel voert.

Op pagina 16 van de nota staat een grafiek waaruit je kunt opmaken dat in 1995 60 procent van de Nederlandse werkgelegenheid in de dienstverlening gesitueerd was. Twee pagina's verder wordt dan de gewaagde voorspelling gedaan dat over 20 jaar drie van elke vijf werkenden hun brood zullen verdienen in de dienstverlening!

Op de volgende pagina staat een grafiekje waaruit moet blijken dat de Amerikaanse economie sterker geïnternationaliseerd is dan de Nederlandse. Ik ben bereid veel te geloven, maar dit is me iets té sterk. Overigens ben ik in de hele nota geen enkel punt tegengekomen waarop de Verenigde Staten, de ultieme benchmark, minder goed scoren dan Nederland. De EZ-blauwdruk heeft dan ook witte sterren en rode strepen. Bertolt Brecht merkte ooit op dat als de regering niet tevreden is over het volk, het een ander volk moet kiezen. Het ministerie van EZ volgt hier graag zijn bedrijfsleven dat met de dag Amerikaanser wordt.

Verder, op pagina 25 wordt dan volgende tegenstelling opgevoerd: ,,Hoewel in Nederland de groei van de mobiliteit in de komende decennia zal afnemen, verwacht het CPB een verdere toename van de verkeerscongestie...''. Als de groei afneemt, dan is er nog steeds groei en is het toch niet raar dat ook de congestie verder toeneemt? Op de volgende pagina lees je dat het steeds moeilijker wordt om nieuwe bedrijfslokaties te vinden, met name in de Randstad. Toch staat iets verder dat de uitdaging voor de toekomst is onze (in de Randstad gelegen) mainports verder uit te bouwen als knooppunt van personen-, goederen- en informatiestromen met aanzuigende werking op de bedrijvigheid! Dus zoiets als: `Wij stuiten steeds meer op een muur. De uitdaging is om daar in de toekomst nog meer en harder tegenaan te knallen.' Dat moet toch slimmer kunnen? Overigens volgt het ministerie hier voor één keer niet zijn bedrijfsleven, dat reeds langer de uitvalswegen van de Randstad gevonden heeft, tot Venlo toe.

Volgende keer: hoe innovatief is het innovatiebeleid?