De slag om de onafhankelijkheid

De vrijheid van meningsuiting vormt de spil van de democratische en humane samenleving: deze opvatting is sinds de Verlichting in alle toonaarden verkondigd. Toch zijn in de media en in de samenleving steeds krachten werkzaam geweest die aan dit ideaal weinig of geen boodschap hadden. De jaren zestig en zeventig gaven weliswaar nieuw voedsel aan de idee van de journalist als een dienaar van de waarheid, maar bij nadere beschouwing blijkt deze periode niet meer dan een intermezzo te zijn geweest.

De vrijheid van de journalist' luidde de titel van de oratie waarmee Maarten Rooij, oud-hoofdredacteur van de NRC in 1958 zijn benoeming tot hoogleraar massacommunicatie aan de Universiteit van Amsterdam aanvaardde. Rooij, in deze jaren de godfather, alsmede het geweten en het boegbeeld van de Nederlandse journalistiek, ging in zijn rede uitvoerig in op het belang van een vrije, onafhankelijke pers en stond in dat verband ook uitvoerig stil bij de verantwoordelijkheid en zelfstandigheid van de individuele journalist tegenover de directie, de hoofdredactie en krachten van buiten.

Het onderwerp kwam niet uit de lucht vallen. Wie goed luisterde, kon het geruis horen van een nieuwe wind die was opgestoken in de Nederlandse journalistiek. De toon van de artikelen in het vaktijdschrift De Journalist gaf blijk van een groeiend zelfbewustzijn binnen de beroepsgroep. Was de journalistiek tot die tijd – in de woorden van Hofland – nog `een beroep dat in kwesties van de orde en gezag braafheid en meegaandheid veronderstelde' en werden de Nederlandse journalisten – in de ogen van Herman Bleich, correspondent voor een aantal buitenlandse bladen – vanuit een soort koloniale regentenmentaliteit door gezagsdragers nog uitgemaakt voor persmuskieten, krullenjongens en pottenkijkers – benamingen die men in andere talen niet kent – rond 1960 veranderde dat.

Een andere liberale oudgediende, E. Elias, gooide in april 1960 de knuppel in het hoenderhok met een scherpe aanval op de saaiheid, braafheid en afhankelijkheid van de Nederlandse pers. Ruim een jaar later, tijdens een forumdiscussie over journalistiek en politiek, rechtstreeks te volgen op het enige televisienet dat Nederland rijk was, verdedigde Elias de zelfstandige verantwoordelijkheid van de journalist tegen Drees en Romme, eveneens achter de tafel. De grijze staatslieden verklaarden zich een warm voorstander van de beproefde methode van `mededelen aan de pers onder de restrictie van geheimhouding', een principe dat volgens Elias de waardigheid van de journalist aantastte.

Het nieuwe journalistieke elan openbaarde zich op een moment, dat de eerste scheurtjes in de confessionele zuilen en de socialistische beweging zichtbaar werden. Een paar jaar later zouden ze kraken in hun voegen om vervolgens uiteen te vallen. De oorzaken daarvan lagen in een complex van onderling verweven ontwikkelingen, die niet alleen Nederland, maar de hele westerse samenleving een ander aanzien gaven, zoals de modernisering van de katholieke en protestantse kerken, de snel toenemende welvaart, vrije tijd en mobiliteit, de opkomst van een nieuwe jeugd- en massacultuur en de introductie van de televisie.

In de media openbaarden de gevolgen van deze ontwikkelingen zich al vroeg. Terwijl de actualiteitenrubrieken op de televisie een groeiende onafhankelijkheid aan de dag legden, sneed het ene na het andere dagblad de oude banden door. Trouw, de officieuze spreekbuis van de Antirevolutionaire Partij, deed dat na de `bekering' van de hoofdredacteur en partijleider Bruins Slot tot de `Evangelische Radicaliteit'. In een stuk, getiteld `Mijn keuze', geschreven ter gelegenheid van zijn aftreden als fractievoorzitter op 18 december 1962, betoogde Bruins Slot dat in de totaal veranderde wereld waarin men nu leefde `de Christelijke politiek zich van oude schema's, waarin zij heeft geleefd en gefunctioneerd, (moest) ontdoen'.

Het was een ongehoorde stelling. In één slag rekende Bruins Slot af met de politieke en sociale erfenis van Abraham Kuyper, de vereerde grondlegger van de orthodox-protestantse zuil. Voor de redactie van Trouw, inclusief Bruins Slot zelf, kwam de koerswending echter als een bevrijding: eindelijk kon de krant een onafhankelijke positie innemen.

De emancipatie van de media in de jaren zestig betekende het einde van de kolonisering van de openbare sfeer door politieke en maatschappelijke organisaties, een proces dat zijn wortels vond in de laatste decennia van de negentiende eeuw. Het was Kuyper, die als hoofdredacteur van De Standaard en leider van de ARP, de eerste aanzet daartoe had gegeven. Kuyper zag zichzelf dan wel als een echte journalist – hij was zelfs enige tijd voorzitter van de Nederlandse Journalisten Kring - maar zijn arbeid diende toch iets anders dan het doorgeven van nieuws en stemmingen of een zakelijke politieke discussie. `Mag ik het zeggen, mijn Standaard is mij nooit iets anders geweest dan een paard, dat ik bereed, om den eindpaal van den weg des te sneller te bereiken' zo verklaarde hij bij de viering van het 25-jarig bestaan van de krant. Die `eindpaal' was de herkerstening van Nederland.

Voor Kuyper was het openbare leven niet iets wat men kon overlaten aan willekeurige journalisten, onderwijzers of kunstenaars. ,,Geen duimbreed is er op het erf van ons menschelijk leven, waarvan Christus niet roept: `Mijn!''' preekte hij bij de opening van de Vrije Universiteit, en inderdaad: zoals de politiek, de cultuur en het sociale leven in Nederland in bezit zouden worden genomen door de grote politieke en levensbeschouwelijke stromingen, zo vormden ook de media doelwit van deze ideologische kruistocht. De rol van de pers moest in deze strijd een leidende en beschouwende zijn.

Met dit soort opvattingen over de media en de publieke sfeer – opvattingen die ook ingang vonden onder katholieken, socialisten en andere politieke en religieuze bewegingen - kwam een einde aan de bloeitijd van `de burgerlijke openbaarheid in haar liberale gedaante'. Deze benaming is ontleend aan het werk Strukturwandel der Öffentlichkeit (1962) van de Duitse filosoof Jurgen Habermas, die daarin een lucide beeld schetst van de opkomst en het verval van de `burgerlijke openbaarheid'.

De oorsprong van dat concept zocht Habermas in de Verlichting, in de idee dat vooruitgang in de wetenschap, cultuur en moraal alleen te bereiken is in een sfeer van een vrije en kritische gedachtenwisseling. Zo had Kant in een beschouwing onder de titel Was ist Aufklärung (1784) betoogd dat vrijheid van meningsuiting eigenlijk vooraf ging aan vrijheid van denken, want de Rede stikt zonder communicatie. Vrijheid van meningsuiting is dus in essentie een kwestie van humaniteit. Alleen het spreken in vrijheid stelt de mens in staat te ontsnappen aan zijn `onmondigheid', nieuwe inzichten te verwerven en vooruit te komen. In een openbaar en kritisch debat wordt bovendien de basis gelegd van democratisch bestuur: alleen in een redelijk debat kunnen particuliere belangen en inzichten met elkaar worden verenigd op een manier die voor alle deelnemers aanvaardbaar is.

De manier waarop Kant fundamentele begrippen als verlichting, humaniteit, rationaliteit en openbaarheid met elkaar verbond, maakt hem in de ogen van Habermas tot de meest uitgesproken vertolker van het ideaal van de burgerlijke openbaarheid, een ideaal dat in de achttiende eeuw ontstond. In het voetspoor van de economische ontwikkelingen en de opkomst van de burgerij ontstond een nieuwe sociale ruimte, een ruimte tussen de privésfeer en de overheid die voortaan werd aangeduid als de `publieke' of `openbare sfeer'.

`Burgerlijke openbaarheid' is dus een concept dat verbonden is met een specifieke historische periode, waarin de privésfeer - met als kern het huiselijk leven - werd gescheiden van het openbare leven. In deze nieuwe sociale ruimte kreeg - eerst in Engeland, vervolgens in Frankrijk, Amerika en andere westerse landen – de burgerlijke samenleving, de civil society, vorm. In die openbare ruimte werd gediscussieerd over kunst en literatuur, over de inrichting van de maatschappij en de uitoefening van de staatsmacht, die in dezelfde tijd geleidelijk een steeds onpersoonlijker karakter kreeg.

Deze publieke sfeer werd het eerst zichtbaar in de Republiek der Letteren, in de literatuur en de snel uitdijende pers, de kranten en de tijdschriften, maar ook in de theaters en concertzalen, koffiehuizen, salons, Tischgesellschaften en andere genootschappen. De politieke neerslag van deze ontwikkelingen zou niet lang op zich laten wachten.

Kenmerkend voor deze openbare sfeer was niet alleen dat zij – idealiter – voor ieder toegankelijk was, maar ook dat redelijke argumenten en niet status, rijkdom of macht in het maatschappelijk debat de doorslag gaven. Dit laatste, zo betoogt Habermas, is van cruciale betekenis, want precies die kenmerken verschaften de nieuwe burgerlijke samenleving haar noodzakelijke samenhang, zoals Kant reeds aangaf in de hierboven aangehaalde passage: alleen in een openbare of rationele gedachtewisseling kunnen botsende particuliere belangen en inzichten met elkaar worden verenigd op een wijze die voor alle deelnemers aanvaardbaar is.

De burgerlijke openbaarheid - in ihrer liberalen Gestalt - beleefde haar bloei in de eerste helft van de negentiende eeuw. In diezelfde tijd werden echter ook de zwakke punten ervan zichtbaar. De sociale en economische tegenstellingen en het feit dat grote delen van de bevolking van deelneming aan het openbare leven waren uitgesloten, stonden op gespannen voet met de universele pretenties van het concept van openbaarheid. Deze situatie zou dan ook de neergang van de burgerlijke openbaarheid inluiden, zo betoogde Habermas. Want terwijl de klassentegenstellingen de idee van een algemeen belang ondermijnden, leidde de participatie van een steeds groter deel van de bevolking tot een structurele verandering van de publieke sfeer.

De grenzen tussen overheid en samenleving, zonder welke de burgerlijke openbaarheid nooit was ontstaan, vervaagden, terwijl de politiek geleidelijk werd gedomineerd door belangengroepen in plaats van individuen, en beslissingen niet op basis van argumenten maar arrangementen werden genomen. Deze ontwikkelingen resulteerden volgens Habermas in een `hergestellte Öffentlichkeit': een door overheden, belangengroepen, pr-functionarissen en adverteerders gemanipuleerde openbaarheid en een massacultuur waarin niet actieve deelneming aan het publieke leven maar passieve consumptie vooropstaat.

Met deze somber stemmende karakterisering van de moderne massasamenleving sloot Habermas aan bij het werk van Adorno en andere representanten van de Frankfurter Schule, waarin thema's als de cultuur- of `bewustzijnsindustrie' en de eendimensionale consumptiemaatschappij de boventoon voerden. Habermas weigerde echter zich bij deze situatie neer te leggen: Strukturwandel der Öffentlichkeit is niet alleen opgezet als een historische studie, maar moest ook aantonen dat het de moeite waard is de beginselen van de burgerlijke openbaarheid, ontdaan van haar zwakke punten, nieuw leven in de blazen - om zo tot een werkelijk democratische en menselijker samenleving te komen.

Habermas' werk heeft in de loop der jaren kritiek maar ook veel vruchtbare discussies uitgelokt, zowel vanwege zijn historische argumentatie als vanwege zijn analyse van de hedendaagse publieke sfeer. Daarbij is onder meer naar voren gebracht dat hij een te eenvormig en geïdealiseerd - om niet te zeggen: nostalgisch – beeld van het publieke debat in de achttiende en negentiende eeuw geeft. Bovendien zou hij – naar goed marxistisch gebruik – wél oog hebben voor het klassekarakter van de burgerlijke openbaarheid, maar niet voor de patriarchale dimensies ervan. De scheiding tussen de particuliere en openbare sfeer verdrong de vrouw van het publieke domein. Haar rol lag voortaan in het huiselijk leven, zoals pijnlijk duidelijk wordt in de betekenisverschuiving van het adjectief `publiek' in de aanduiding `publieke vrouw'. De ontwikkeling van de Nederlandse journalistieke cultuur - opgevat als het geheel van denkbeelden over beroep, positie en verantwoordelijkheden van de journalist en de daarmee samenhangende houdingen en praktijken - blijkt de door Habermas geschetste patronen redelijk te volgen, al vonden veel veranderingen hier, naar goed negentiende-eeuws gebruik, jaren later plaats dan elders.

Zo klonken de echo's van Kants optimisme pas rond 1840 luid en duidelijk door in de Nederlandse pers. De Gids zette daarbij de toon, zoals Remieg Aerts heeft laten zien in zijn mooie studie over De Gids en de liberale cultuur in de negentiende eeuw. Aerts weet overtuigend aan te tonen dat de term `liberaal' in deze tijd voor veel méér stond dan later: `liberaal' verwijst hier minder naar een specifieke politieke opvatting dan naar een artistieke en intellectuele stijl, een wereldbeschouwing gebaseerd op een onschokbaar vertrouwen in een vrije ontwikkeling op elk gebied, de vooruitgang en de menselijke rede. Dat was precies waar het bij oprichting van De Gids in 1837 om ging. In de woorden van de flamboyante Bakhuizen van den Brink, een van de drijvende krachten achter het tijdschrift: `Onbekrompene vrijheid, voortgaande ontwikkeling, afwerpen van kluisters van verouderd gezag en verouderde vormen, onafhankelijkheid jegens iedere meening, die niet op helder bewustzijn berustte.'

Dezelfde geest ademde de verklaring waarmee een paar jaar later, in 1844, de Nieuwe Rotterdamsche Courant bij de lezers werd geïntroduceerd. Voor de liberale pers was machtsuitoefening slechts legitiem indien zij ook publiekelijk controleerbaar was en onderwerp kon zijn van een maatschappelijk debat. Zij rechtvaardigde haar eigen rol met een beroep op haar onafhankelijkheid, de publieke opinie en de kracht van de rede. `Wij strijden voor ontwikkeling en voortgang', zo schreef het weekblad De Nederlandsche spectator, `voor de autonomie van den geest, en wij zijn slaven van iedere waarheid die de wetenschap en de kennis ons aanbrengen'.

Ook in de laatste decennia van de negentiende eeuw vertolkte de liberale pers nog opvattingen die dicht in de buurt van Habermas' beschrijving van de `Öffentlichkeit in ihrer liberalen Gestalt' kwamen. Toch was toen al veel veranderd. Er waren nieuwe dagbladen opgericht, die welbewust zochten naar een verbreding van de sociale basis van de openbaarheid. Zo streefden de oprichters van Het Nieuws van den Dag ernaar een goedkope en leesbare krant te maken om `uitgaande van de liberale beginselen, de volksontwikkeling en beschaving te helpen bevorderen'. Dat waren geen loze woorden. Het blad was inderdaad behalve een commerciële ook een ideële onderneming.

Goedkoop, zakelijk en beknopt ('Wij schrijven niet voor de koks, maar voor de gasten') zou de krant zijn, maar ook `werkend in vrijzinnige richting', patriottisch, waarheidslievend, onkreukbaar, mild en verdraagzaam. De bewoordingen waarin Het Nieuws van den Dag zichzelf afficheerde, weken op het eerste gezicht weinig af van die van oudere liberale bladen, maar toch klonk hier een pedagogisch element door dat in de oudere kranten ontbreekt. Het Nieuws van den Dag wilde weliswaar niet `catechiseren of schoolmeesteren', maar zag het wel als zijn opdracht het volk kennis bij te brengen, op te voeden, te ontwikkelen. Daarin wordt iets meer zichtbaar van de achtergrond van de oprichters, die gerekend moeten worden tot de verlichte, praktische hervormers, verwant aan de Maatschappij tot Nut van `t Algemeen en vergelijkbare organisaties.

Het Nieuws van den Dag was een exponent van de ingrijpende economische en sociale veranderingen die zich vanaf 1870 in Nederland voltrokken. De krant zette de toon voor de opkomende massapers in Nederland, zowel wat de vorm als de inhoud en de taakopvatting betreft. Andere dagbladen zouden volgen, zoals het Rotterdamsch Dagblad, De Amsterdammer, de Haagsche Courant en De Telegraaf, bladen die ondanks grote verschillen in stijl en temperament – waarvan de bron vaak lag bij de hoofdredacteur of eigenaar – nauw aan elkaar verwant waren. Hervormingsgezind, met bijzondere aandacht voor onderwijs, wetenschap en praktische kwesties, wierpen deze dagbladen zich op als de tolk van de groepen in de samenleving die tot dan toe geen toegang hadden tot het publieke domein. Ze waren voor uitbreiding van het kiesrecht en `werkten' tegelijk aan de opvoeding van de nieuwe burgers. Hiermee kozen deze bladen partij tégen het klassieke liberalisme, dat zijn wortels had in de verdwijnende standensamenleving, en vóór het radicale liberalisme.

Rond de Eerste Wereldoorlog was van deze onafhankelijke democratische massapers niet veel meer over. De bladen verdwenen, werden opgekocht of trokken zich terug op een strikt `neutraal' standpunt. Hun bloei was van korte duur geweest. Zomin als het sociaal-liberalisme bleek de radicale dagbladpers, die de beginselen van de liberale openbaarheid hadden trachten te verbinden met een verbreding van haar sociale basis, in staat grote groepen aan zich te binden.

Onder invloed van het moderniseringsproces ontstond niet alleen een moderne arbeidersbeweging, maar kregen ook traditionele religieuze verschillen een geheel nieuwe dynamiek. In hun streven naar emancipatie en versterking van hun wereldlijke en geestelijke posities maakten deze levensbeschouwelijke en politieke stromingen gebruik van de mogelijkheden die de door de liberalen geschapen openbare sfeer bood. Maar hun organisaties zagen er anders uit: de nieuwe bewegingen traden op in gesloten formaties en maakten daaraan ook de media ondergeschikt.

Van de hooggestemde verwachtingen ten aanzien van de media als drager van de openbare mening en als vrijplaats van debat werd weinig meer vernomen. Integendeel, er gingen in confessionele en conservatieve kringen steeds meer stemmen op om de vrijheid van meningsuiting aan banden te leggen. Op de radio gebeurde dat ook. Men was bang voor de openbaarheid: de media, zo oordeelde men van liberaal tot communist, vormden een machtig wapen, waarmee de strijd om de geesten kon worden beslecht. Het was deze gedachte vanwaaruit vele kranten – en de omroepen – waren opgericht en ingericht. De katholieke kranten waren – zoals alle roomse organisaties – onderworpen aan het kerkelijk gezag, de socialistische pers was eigendom van partij en vakbeweging, de orthodox-protestantse bladen waren informeel – zij het niet minder innig – verbonden met gelijkgestemde partijen en de liberale pers was door persoonlijke banden geparenteerd en loyaal aan liberale partijen.

De gevolgen van de ideologische kolonisering van de media had verstrekkende gevolgen voor de inhoud ervan. Of het nu ging om vraagstukken betreffende de binnenlandse of de buitenlandse politiek, en of de krant nu liberaal, katholiek of communistisch was, de inhoud vormde een vrij trouwe afspiegeling van de bovengeschetste bindingen. De bladen vertoonden in alle opzichten de kenmerken van groepskranten: voor de politieke partijen, kerken en verenigingen vormden de media niet alleen een instrument om propaganda naar buiten toe te bedrijven, maar ook om de consensus in eigen kring te organiseren.

Met de vaststelling dat het openbare leven in Nederland van de eeuwwisseling tot de jaren '60 gekoloniseerd werd door maatschappelijke organisaties op politieke en levensbeschouwelijke grondslag, lijkt Habermas' analyse van het verval van de burgerlijke openbaarheid in alle opzichten te worden bevestigd. De vraag is echter of deze ontwikkeling ook zo negatief moet worden beoordeeld als Habermas deed. De veranderingen in de publieke sfeer waren immers een logisch gevolg van pogingen om een van de zwakke punten – de smalle sociale basis – te verhelpen en de democratie te versterken. De vraag is of dit mogelijk was geweest zonder andere organisatievormen en politieke stijlen. Bovendien leverde deze nieuwe politieke cultuur waardevolle resultaten op: vrouwen en minder welgestelde groepen werden niet langer uitgesloten van het openbare leven en de sociale gelijkheid in de samenleving werd er onmiskenbaar door bevorderd.

Aan de overwoekering van de publieke sfeer door politieke en levensbeschouwelijke organisaties kwam in de jaren '60 een einde. Behalve de eerder genoemde maatschappelijke ontwikkelingen droeg ook een aantal veranderingen binnen de mediasector zelf daaraan bij, zoals de professionalisering en de groeiende maatschappelijke erkenning van de journalistiek, de concentratie en schaalvergroting in de pers, en, niet in de laatste plaats, de opkomst van de televisie, die oude patronen in het mediagebruik doorbrak en dwong tot het zoeken naar nieuwe journalistieke vormen.

De openbare sfeer vertoonde in de jaren '60 in een aantal opzichten de trekken van Habermas' ideaal. Niet alleen hadden de media - de centrale loci van de openbaarheid - hun politieke en culturele zelfstandigheid herwonnen, ook de toegankelijkheid en de pluriformiteit waren toegenomen. Men zou kunnen zeggen dat daarmee enkele belangrijke tekortkomingen van de negentiende-eeuwse publieke sfeer overwonnen waren.

Aan de andere kant vertoonde de nieuwe openbaarheid trekken die scherp afstaken tegen het door Habermas geformuleerde ideaal. Deze verschijnselen, waarvan de betekenis met het verstrijken der jaren steeds groter werd, hadden vooral betrekking op de vervaging van de grenzen tussen de openbare sfeer en de privé-sfeer, de voortwoekerende commercialisering en de verdringing van de kritische argumentatie in het publieke debat.

Precies deze ontwikkelingen vormen ook de belangrijkste thema's in het huidige debat over de actualiteit van Habermas' werk.

Hoewel deze ingewikkelde discussies in kort bestek nauwelijks recht gedaan kan worden, zijn ze belangwekkend genoeg om hier in ieder geval aangestipt te worden. In een tijd, waarin de zegeningen van de markt breed worden uitgemeten en het liberalisme triomfen viert, kan het althans geen kwaad de grondslagen van de mediacultuur en de publieke sfeer aan een kritisch onderzoek te onderwerpen.

Hoewel de ontwikkeling van de Nederlandse pers, waarvan de kwaliteit de laatste decennia alleen maar gestegen is, hoopgevend is, worden de marges voor de niet-marktgerichte en onafhankelijke journalistiek vrijwel overal kleiner. Daartegenover staat een wassende zee van programma`s, tijdschriften en bladen waarvan niet kan worden vastgesteld door wie en waarom ze zijn gemaakt. Daarbij hebben we het dan niet over huisbladen, maar over gewone special interest bladen, publiekstijdschriften en `informatieve programma`s' op de commerciële zenders.

De commercialisering komt ook tot uitdrukking in de programmering van de televisie die, dankzij gedetailleerd kijkersonderzoek, in de greep is geraakt van een uitgekiende marktpolitiek. De media dreigen zo uit te groeien tot een glijmiddel voor commerciële belangen, waarbij programma's en redactionele pagina's fungeren als een `advertentievriendelijke Umfeld', zoals een uitgever van sponsored magazines de journalistieke bijdragen aan zijn bladen eens onbeschaamd betitelde.

Soms lijkt het erop of de basis van de hedendaagse samenleving niet gelegen is in een al dan niet beredeneerd `algemeen belang' of pluriform ideaal, maar in de consumptie zelf, met de markt als substituut voor de publieke sfeer. Misschien dat de Franse socioloog Bourdieu dan toch nog gelijk krijgt met zijn voorspelling dat de door kijkcijfers en marktposities beheerste media uiteindelijk het hele openbare leven, inclusief de politiek, de kunsten en de wetenschap zullen corrumperen.

Daarmee is tegelijk het thema van de vormverandering in de openbare sfeer aangesneden. Ook inhoudelijk gezien lijkt de serieuze journalistiek terrein te hebben moeten prijsgeven aan meer hybride vormen van verslaggeving, waarin de aandacht meer uitgaat naar persoonlijke dan inhoudelijke zaken. Vooral de televisie concentreert zich bij voorkeur op gebeurtenissen en schandalen, en presenteert discussies als een soort sport. Terwijl het infotainment oprukt, worden nieuws en informatie ontdaan van hun politieke lading.

Maar hoe kunnen burgers nog tot politieke beslissingen komen, wanneer ze alleen maar informatie krijgen over het emotionele leven van een politicus? In zijn provocerende werk The Fall of Public Man, dat meer dan twintig jaar geleden verscheen, voorspelde Senett dat een dergelijke inlijving van de openbare sfeer door de privé-sfeer onvermijdelijk zal uitlopen op de sociale en politieke desintegratie van de beschaving.

De vraag die zich bij dit debat over personalisering en psychologisering opdringt, is natuurlijk of de politieke openbaarheid inderdaad alleen bevredigend kan functioneren bij gratie van een kritisch-rationeel debat. Deze stelling lijkt mij - met de beelden van een oorlog in Europa nog op het netvlies – moeilijk vol te houden. Maar dat zou impliceren dat onze concepten van burgerschap, publieke sfeer en journalistiek - die twee eeuwen richtinggevend zijn geweest - vandaag de dag niet meer toereikend zijn. Maar misschien is het nu nog te vroeg voor zo'n conclusie.

Dit is een bekorte weergave van de inaugurele rede die dr. Frank van Vree vanmiddag uitsprak bij de aanvaarding van zijn ambt van bijzonder hoogleraar persgeschiedenis, in het bijzonder de geschiedenis van de persvrijheid, aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.