Oude cijfers op nieuwe media

Sinds 1899 is een eeuw verstreken, maar de sociale structuur van destijds is nog herkenbaar. Op sommige gebieden zijn de veranderingen in Nederland echter immens, zo blijkt uit de cd-rom met volkstellingsgegevens uit 1899.

. Wie denkt dat laat trouwen een recente ontwikkeling is heeft het mis. Een eeuw geleden was een derde van alle dertigjarigen nog ongehuwd. Gemiddeld gesproken trouwde men toen wel iets eerder dan nu, maar niet veel. Het percentage mensen dat ooit in zijn of haar leven in het huwelijk trad wijkt minder dan een procent af van de tegenwoordige situatie.

Hoeveel mensen getrouwd waren, gescheiden, verweduwd, hoeveel mensen werkten en in welk beroep, dat soort gegevens zijn in overvloed te vinden op de cd-rom's van de volkstelling 1899 die gisteren zijn verschenen. De gegevens zijn bovendien zeer gedetailleerd uitgesplitst naar woonplaats en soms zelfs naar wijk.

Interessant vanuit het perspectief van vandaag is zeker ook welke gegevens er niet in zitten. Zo is geen enkele vraag gesteld over het opleidingsniveau. Waar opleiding vandaag de dag sleutel is voor het verwerven van arbeid, bepalend is voor het inkomen en zelfs voor het vinden van een (huwelijks)partner, daar speelde die factor een eeuw geleden kennelijk geen rol van betekenis. Ook zijn geen vragen opgenomen naar gezondheid of inkomen.

Zeer uitgebreid is daarentegen de vraagstelling op religieus terrein: van elke gemeente in Nederland, en van elke wijk in de grotere gemeenten, kan precies worden nagegaan hoeveel mensen zich tot welk kerkgenootschap rekenenden, uitgesplitst naar leeftijd en beroep. Twee zaken vallen daarbij op. In de eerste plaats is te zien dat de ontkerkelijking reeds zichtbaar gestalte krijgt, met name in de noordelijke provincies en in de grote steden. In de tweede plaats blijkt dat veel gemeenten naar hedendaagse maatstaven zeer homogeen zijn naar godsdienst. Gereformeerden treft men bijvoorbeeld slechts in een beperkt aantal plaatsen in wat grotere getalen aan. De huidige Bijbelgordel van Zeeland via de zuidkant van Zuid-Holland en de Veluwe naar de kop van Overijssel ziet men daarin reeds terug. Ook tellen de noordelijke provincies veel gereformeerden.

Het meest gedetailleerd inzicht in het leven aan het eind van de vorige eeuw biedt de beroepentelling. Alleen al de opsomming van zo'n zesduizend beroepen geeft een beeld van de tijd: kolendragers, blokbrekers, turftellers, moffenstokers, snolsters, rateljongens, koptouwhouders, weenermeiden, beenstampers. Van de beoefenaren van al die beroepen is na te gaan hoe oud ze waren, of ze getrouwd waren, in welke plaatsen ze woonden, in wat voor soort huis en welk geloof ze aanhingen.

Tegenwoordig geldt Nederland als een land waar relatief weinig mensen werken: een kleine miljoen WAO'ers, een legioen vutters, een hoge onderwijsdeelname na afloop van de leerplicht. Maar ook een eeuw geleden werkten weinig mensen. In de inleiding tot de publicaties van de volkstelling schreef men toen: ,,Wat in het algemeen betreft de verhouding van de beroepsloozen tot de geheele bevolking, is deze in ons land in vergelijking niet op één na (Zweden) alle andere landen waarvan de cijfers bekend zijn, in totaal vrij groot te noemen en is zij zelfs voor de vrouwen het hoogst voor alle Europeesche rijken, voor welke cijfers beschikbaar zijn.'' De continuïteit is verbluffend.

In een tijd waarin de aftrekbaarheid van de hypotheekrente vrijwel dagelijks in het nieuws is, rijst de vraag hoe het zat met het woningbezit een eeuw geleden. Daarover is in de volkstelling echter niets gevraagd. De zeer gedetailleerde gegevens over woningen hebben met name betrekking op het aantal bewoonde vertekken en op de vraag of die ,,door een raam of deur in onmiddellijke gemeenschap met de buitenlucht'' staan. Die laatste kwestie werd van belang geacht met het oog op de volksgezondheid.

Menig gezin woonde in 1899 nog in een woning die slechts uit één vertrek bestond. Daarin werd geslapen, gegeten, gekookt en geleefd. Er bestaan wel aanzienlijke regionale verschillen. Zo telde in Drenthe en Friesland meer dan zestig procent van alle woningen slechts één vertrek. Hutjes waren nog niet ongewoon. Volkomen anders was de situatie in Limburg, waar slechts zeven procent van de woningen één vertrek had.

Sowieso zijn de regionale verschillen in 1899 naar hedendaagse maatstaven immens. De eenwording van Nederland was al weliswaar een eind op streek, maar lang niet in alle aspecten van het leven. Drenthe was nog echt een achtergebleven gebied.

Die regionale verschillen zijn bijvoorbeeld ook te zien als men kijkt naar het aantal kinderen van zes tot twaalf per onderwijzer. In Utrecht en Zuid-Holland lag dat rond de 25, evenals in Limburg, waar de katholieke emancipatie via het onderwijs al volop op gang was. In Drenthe waren er bijna veertig kinderen per onderwijzer. Ook Zeeland was duidelijk perifeer gebied, met bijna 35 kinderen per onderwijzer. Landelijk gezien wijken die aantallen niet erg veel af van de huidige situatie; de extreme regionale verschillen zijn echter verdwenen.

Ook een eeuw geleden woonden er al buitenlanders in Nederland, zij het relatief weinig. Het ging om 53.000 mensen, op een bevolking van ruim vijf miljoen. Ter vergelijking: nu gaat het om zo'n 700.000 mensen op een bevolking van zestien miljoen. Toen vormden Duitsers en Belgen verreweg de grootste categorieën: samen negentig procent van alle buitenlanders. Niet-Europeanen werden niet apart geregistreerd, maar vielen onder de categorie inwoners uit `een ander land'. Daarvan waren er 2.578.