Onderzoek criminele goederen

Nederland loopt als distributieland ,,in het middelpunt van omvangrijke goederenstromen'' bijzondere risico's criminele goederen binnen te krijgen ,,onder de dekmantel van legale goederenstromen.'' Daarbij valt te denken aan wapens, cocaïne en springstoffen. Minister Korthals (Justitie) heeft daarom, na overleg met de minister van Financiën en het College van procureurs-generaal besloten een inventarisatie te laten maken van die bijzondere risico's.

Dat heeft de bewindsman gisteren aan de Tweede Kamer geschreven. De inventarisatie maakt deel uit van het zogeheten integraal onderzoek dat Korthals de Kamer in juni toezegde na de onthullingen van de commissie-Kalsbeek. Die commissie heeft onderzocht wat justitie heeft gedaan met de aanbevelingen van de parlementaire enquêtecommissie Van Traa, die de IRT-affaire (tussen '91 en '94) onderzocht. Het integraal onderzoek moet zo mogelijk alle gegevens opleveren over de parallelimporten van cocaïne ná 1994. Die importen waren mogelijk door de hulp van corrupte overheidsfunctionarissen, zo wordt verondersteld. Korthals zegt de Kamer toe zich persoonlijk met de voortgang van het onderzoek te bemoeien.

De minister stelt in zijn brief aan de Kamer dat hij inmiddels samen met het College van procureurs-generaal de zaak strafrechtelijk voortvarend heeft aangepakt. Korthals heeft een nieuwe officier van justitie (Haverkate) en een nieuwe officier van de Criminele Inlichtingendienst (Don) aangesteld. Zij kunnen ook beschikken over het ,,oude IRT-materiaal.'' Of dat uiteindelijk bruikbaar zal zijn valt nog te bezien, omdat er een mogelijkheid bestaat dat delen ervan onrechtmatig verkregen zijn door middel van de ongeoorloofde Delta-methode. Daarbij werden drugs bewust doorgelaten om zo op het spoor van een criminele bende te komen.

Volgens Korthals kan het materiaal bovendien onbetrouwbaar blijken, maar hij vindt wel dat beide officieren over het hele dossier moeten beschikken om te kunnen ,,beoordelen of onderdelen van het materiaal al dan niet aan het bewijs kunnen bijdragen dan wel ten grondslag kunnen worden gelegd aan verder onderzoek.'' Haverkate en Don zullen in oktober voor het eerst verslag uitbrengen. Korthals hoopt dat dan nieuwe geruchten over de nasleep van de IRT-affaire de kop in kunnen worden gedrukt, al zegt hij zich te realiseren dat ,,het definitief ontzenuwen van geruchten in absolute zin niet steeds mogelijk zal zijn.''

Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC) van het ministerie van Justitie zal ten slotte het hele onderzoek evalueren. Een apart feitenonderzoek is volgens Korthals onwenselijk omdat er dan een nauwelijks te beheersen coördinatieprobleem met het strafrechtelijk onderzoek zou ontstaan.