`Het ideaal van Monnet is niet verwezenlijkt'

,,De staalindustrie is heel lang `Le métier du Roi' geweest, ook tijdens de oorlogen die Europa hebben geteisterd. Want oorspronkelijk was een belangrijke taak van de staal- en ijzerbaronnen het gieten van kanonnen, later werd dat allerlei nieuw wapentuig. Dat verklaart waarom die sector altijd een grote bescherming van overheden genoot. Het verklaart ook waarom Jean Monnet een sterke Europese organisatie wilde ontwerpen die de basis van de defensie-industrie van twee vijanden aan elkaar knoopte''.

,,Vijanden die vrede hadden gesloten. Eigenlijk wilde Monnet in één keer de Verenigde Staten van Europa tot stand brengen, maar daarvoor waren de naoorlogse tegenstellingen toch nog te groot. Dus begon de Europese integratie op kleinere schaal met een gemeenschap die zowel een politiek als een economisch doel diende. Behoud van de vrede stond voorop, dat was ook hard nodig, maar daarnaast werd deze toen vitale sector verstevigd. Minister Schuman beoogde alle douanerechten af te schaffen en wilde een gemeenschappelijk prijs- en investeringsbeleid voor de zware industrie, én een antitrustbeleid. Dat prijsbeleid is er gekomen, dat heb ik zelf ondervonden als adviseur en commissaris van een aantal Nederlandse staalondernemingen. Ik sleepte in Duitsland inkoopcontracten voor staaldraad binnen, tegen dezelfde voorwaarden als onze Belgische concurrenten''.

,,Van 1940 tot 1956 had ik als directielid van Van Leer, het grootste staalverwerkende bedrijf in Nederland, ervaring in de sector opgedaan. En hier heb je mijn proefschrift `Aspecten der Nederlandsche ijzer en staal produceerende industrie'. Daar ben ik op 15 november 1945 in Tilburg op gepromoveerd. Na de oprichting van de EGKS bezocht ik geregeld het kantoor in Luxemburg. Ik maakte kennis met de Nederlandse Hoge Commissaris, Dirk Pieter Spierenburg. Een krachtige persoonlijkheid en bekwaam diplomaat. En met Eildert Stijkel, directeur van Spierenburgs kabinet, en Ludwig Erhardt, de latere Duitse minister en bondskanselier. Erhardt was ook een stuwende kracht achter de Gemeenschap. Hij zei: `Ohne Stahl und Kohle hat eine Nation keine richtige Macht.' In kolen en mijnen herkenden veel Duitsers hun Vaterland, met het Roergebied als productie- én afzetgebied. Nederland en België hadden hun mijnen en in Luxemburg werd veel ijzererts gehaald uit de `terre rouge', hun Saarbekken van de onderneming Arbed''.

,,In 1965 (kabinet-Cals, Th.W.) verloor ik de strijd om de Nederlandse mijnen van Joop den Uyl. Ik wilde de beste openhouden, hij sloot ze. Achteraf – we wisten toen nog niet hoe enorm veel aardgas we onder onze bodem hadden – geef ik graag toe dat hij het economische gelijk aan zijn kant had. De EGKS werd krachtig gesteund door Adenauer en De Gaulle en kreeg een unieke, en heel bijzondere supranationale structuur die aansloot bij de toekomstidealen die veel politici voor het verenigd Europa koesterden. Geen intergouvernementele opzet, maar met een Hoge Autoriteit aan het hoofd, die los van de regeringen bindende beslissingen nam. Dat was trouwens de reden dat de Britten niet ingingen op de uitnodiging om mee te doen. Want de soevereiniteit van de lidstaten over deze sector, die de grondstoffen levert voor defensie-industrie, werd opgeheven. Toch is het ideaal van Jean Monnet niet verwezenlijkt, niet uit de verf gekomen. Hoogovens, een aantal kleinere staalbedrijven en hun afnemers hebben er wel bij gevaren, maar die gelijke voorwaarden zijn er niet gekomen''.

``Daarvoor waren de Duitse en Franse staalmagnaten te machtig. Alfred Krupp, de bekwame maar feodale ondernemer in Essen, maakte in Duitsland de dienst uit en de familie De Wendell deed hetzelfde in Frankrijk. Ze hadden samen het Comité des Forges, de EGKS danste naar de pijpen van die club. De Duitsers en Fransen werden weer de baas in deze markt, de Duitsers wilden niet met de Nederlanders samenwerken. Ze vonden ons `kruideniers'. Het werd gaandeweg één groot kartel. In de jaren `60 en `70 kwam – begrijpelijk – steeds meer de politieke eenwording van Europa voorop te staan, daardoor hebben we nu de euro en de centrale bank in Frankfurt. Met de zegen van de EGKS maakte ik samen met K.P. van der Mandele, de voorzitter van de Kamer van Koophandel in Rotterdam, een plan voor een nieuwe staalproducerende ondernemening in wat nu Europoort heet''.

,,Dat is niet van de grond gekomen, maar ik heb er een interessante variant op gemaakt, genaamd `Staal aan zee'. Ik ben ervan overtuigd dat de grootste Europese staalonderneming, Thyssen-Krupp, daar nog steeds belangstelling voor heeft. De Duitsers hebben in Europoort een overslagbedrijf voor kolen en erts, die met binnenvaartbakken naar het Roergebied worden vervoerd. Dat is een heel dure operatie. Thyssen-Krupp kan ten minste 70 gulden per ton staal aan kosten besparen door het erts in Europoort te smelten. Dat gloeiende basismateriaal kun je per trein snel naar Duitsland vervoeren. Dan maak je er in Düsseldorf gewalste staalproducten van. In één klap zou je daar een goederenspoorlijn rendabel mee maken.''