Koninginnedag 1944

,,De laatste Koninginnedag zonder koningin, buurman'', hoor ik ineens naast me, terwijl ik nog even op mijn houten krib nasoes te midden van mijn bedgenoten: de vlooien en luizen. De plaats is het concentratiekamp Amersfoort en de tijd 31 augustus 1944, dus nu twee koninginnen geleden.

Ik was nog even bezig met de bevrijdende droom, het enige positieve houvast dat we in die situatie nog hadden. Ik wist dat de invasie had plaatsgevonden, ook dat die gelukt was. Hóéver de bevrijdingslegers Frankrijk waren ingetrokken wist ik niet. Weken tevoren had me de bezoekende dominee in de cel van de Arnhemse koepelgevangenis gevraagd: ,,En, jongeman, bewandelen je ouders de weg des Heren?'' Waarop ik geantwoord had: ,,Dat weet ik niet, dominee, maar bewandelen de geallieerden al de weg naar Parijs?'', waarop de man woedend de celdeur achter zich had dichtgesmeten. Zodat ik nog niks wist. En de nieuwkomers hier spraken elkaar op dit punt te veel tegen.

Ontgoochelend had ook nu weer de blokoudste ons met zijn volumineuze stem gewekt. En opeens herinnert mijn slapie me aan de 31ste augustus, Koninginnedag. Zo zonder horloge en kalender raak je hier volkomen de tel kwijt. Het is nog donker en het zal zowat 5 uur zijn. Toch went dat vroege opstaan langzamerhand, in elk geval beter dan die eindeloze vlooien- en luizenbeten, die me radeloos maken. Ik heb de pech dat dit soort gedierte extra op me gebeten is, zó zelfs dat ik er gisteren op de appèlplaats bijna het leven door verspeeld had. Kampbeul Cotella had ons bevolen het jasje uit te trekken (afgedankte legerjasjes) om de bron van de vermeende vlektyphus bloot te leggen.

Ik werd uit de rijen gesleurd en voor het front van de troepen uitgekafferd omdat ik mijn ziekte niet tijdig had aangegeven. Hij dreigde me dood te schieten. Toen het wandelend gedierte in de naden van mijn kleding afdoende door mij kon worden aangetoond, mocht ik blijven leven. Zelfs de beruchte Cotellatrap (puntige rijlaars in je kruis) had ik kunnen doorstaan.

Daardoor kon ik nu dus opstaan en me op klompen naar het washok begeven te midden van (nog halfslapende) lotgenoten. Alles bedreigt en irriteert hier in deze donkere glibberige ruimte, waar het ontzettend stinkt.

De koesterende slaap, zij het onder eindeloos krabben, is weer voorbij. De blanke top der duinen, waarvan allen: ,,'k Heb u lief, mijn Nederland'' meebrullen, doet ons goed en zelfs is hier zachtjes het Wilhelmus te horen, wat riskant is, want ook onder ons schuilt de SD. De bankier, die als enige niet aan de smerige latrines kan wennen, moppert als steeds op de verstopte wc's, waar de invloed van het Rode-Kruispakket van gister zich overduidelijk heeft doen gelden. Overal viezigheid alhier.

Mijn brood was gisteravond al op, dus zonder eten op het appèl. Onheilspellend toch altijd weer die wachttorens, donker tegen de ochtendlucht afstekend. De laatste zoeklichten flitsen uit. Duldend staat de machteloze mannenmassa van ongeveer 4.000 weerlozen het brallend gebek aan te horen. En dan dat eindeloze aftellen in het Duits, en dan weer tellen omdat het niet snel genoeg ging, onder meer omdat een van ons op het kritieke moment in elkaar zakte. Dan worden de commando's ingedeeld. Ook het kabelcommando trekt er weer op uit. SS'ers met hun automatische geweren achter en naast ons, op de bekende wijze scheldend en vloekend: ,,Singt!''. ,,Edelweisz und Rosemarie''.

Slaafse monden laten iets horen van `Laten we vrolijk zijn', hetgeen me vreemd in de oren klinkt zo zonder klompsokken op klompen, dus bloedend en wel.

Door het zonnige Amersfoort, waar alles zo onbegrijpelijk vrij zijn gang gaat, waar werkers en wandelaars vrij rondlopen en naar ons kijken, marcheren, of liever, sjokken we voort op klompen die schrijnen bij elke stap.

,,Jetzt ein neues Lied!'' schreeuwt een SS-bek en dreigend komt hij met zijn wapen opzij. Een van ons krijgt een lumineus idee en neuriet de melodie van `Voor koningin en vaderland...' ,,Ja, endlich eine neue Melodie, singt alle, laut, lauter!'' En als uit één mond klinkt daar op Koninginnedag, midden in de oorlog, onder geanimeerd knikken van de SS'er, dat prachtige lied. Voorbijgangers blijven staan en kijken onbegrijpend naar de korte troep. Niets vermoedend marcheren de bewakers naast en achter ons. Deuren gaan open, gordijnen en vitrages opzij. Lachende gezichten overal. Meezingende stemmen links en rechts. Het marcheren wordt een lust. Dit groepje gevangenen viert een prachtig feest, luid en spontaan, zoals ze het nooit vierden. De charme van het verbodene werkt. Wanneer even later de bewakers iets duidelijk wordt en woedend een verbod klinkt, zingt een hele straat rondom de automatische geweren een lied ter ere van onze jarige koningin.