Kok moet een kapitein zijn

De politiek moet de hoofdlijnen aangeven, vindt Theo Dragt, directeur van het Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel. Deel 2 in een serie vraaggesprekken.

Premier Kok heeft dédain voor ambtenaren, zegt Theo Dragt, directeur van het Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (CAOP). ,,Of eigenlijk is het niet dédain, deze Kapitein op het Schip van Staat heeft degout voor zijn eigen bemanning: de publieke dienst.'' En met deze afkeer, vindt Dragt, begint een neerwaartse spiraal. Het is de steeds troebeler en gespannen wordende verhouding tussen politieke bestuurders en hun ambtenaren. De eersten zouden de hoofdlijnen moeten schetsen, de ambtenaren zouden ermee aan de slag moeten.

Maar het uitzetten van hoofdlijnen, het werken met een grand design, is wat Dragt betreft precies wat er aan ontbreekt bij de premier. Kok heeft weliswaar een persoonlijke betrokkenheid bij de samenleving, maar uitgerekend de voorzitter van de ministerraad laat na het kabinet te stimuleren met een groots en meeslepend streven naar een betere wereld. En omdat de hoogste politieke bestuurder dat niet kan of niet wil, zijn er volgens Dragt ook maar weinig ministers die erin slagen hun ambtenaren aan te sporen tot het omzetten van een inspirerende visie in beleid. Zie bijvoorbeeld het regeerakkoord, dat een gedetailleerd spoorboekje-voor-vier-jaar is in plaats van een weergave van de hoofdlijnen. Dragt: ,,Ambtenaren moeten het regeerakkoord uit hun kop leren en ambtelijke alternatieven zijn verder uitgesloten.''

Het gevolg dáárvan is weer dat het debat tussen parlement en regering gaat over nitty-gritty. ,,Over de lengte van de grassprieten in de polder van Wymbritseradiel.'' Kamerleden worden volgens Dragt tot die detailzucht aangespoord door de media die ,,zes kolomen wijden aan het meest onbenullige incident. De Kamer reageert daardoor op kolombreedte.''

En worden bewindslieden op details ondervraagd, dan moet ook het hele `ambtelijk apparaat' aan die detailzucht geloven. Gevolg: crisismanagement wegens bijzaken in plaats van het managen van de hoofdzaak, het landsbestuur. ,,Kok en de zijnen moeten duidelijk maken wat ze met de ambtelijke organisatie willen. Ze moeten aangeven `dit doen we eerst, dat doen we later'.''

Dragt is een man van de ambtelijke praktijk - ,,ik heb 21 ministers gediend''. Als directeur van het CAOP, de `verkeerstoren van de overheid als arbeidsorganisatie', is hij de intermediair tussen de overheid als werkgever en de 1,2 miljoen werknemers in de quartaire sector.

Voor de 1,2 miljoen ambtenaren is een premier om blind door het vuur te gaan niet strikt noodzakelijk. ,,In demissionaire periodes draait het land immers door – zonder een dirigent speelt een orkest elk stuk foutloos. Maar een dirigent laat het sprankelen, geeft iets eigens aan het stuk, iets geïnspireerds. Het is tekenend dat van zoveel kanten wordt gevraagd: waar is de dirigent?''

Dat Kok `het' niet heeft, ziet Dragt bijvoorbeeld in diens uithalen-voor-de-bühne naar verkeersleiders die werden geschorst toen de Bijlmerenquête nog liep en naar opstandige procureurs-generaal die als kwajongens in de hoek werden gezet. ,,Een goede manager geeft alleen in de kleedkamer een uitbrander.'' Ook tekenend: het benen-op-tafel-overleg in het Catshuis van Kok II over vragen als `waar staan we, waar willen we heen en hoe komen we daar?'. ,,Dat dat een unicum was, is natuurlijk een bloody shame. Daar zou de helft van de wekelijkse ministerraad over moeten gaan.''

Dragt hamert op de drie-eenheid die van boven moet komen om ambtenaren tot grootse daden aan te sporen: inspiratie, motivatie en stimulatie. ,,Maar dan moet die ambtenaar niet bij de hoogste politieke bestuurder tegen een frigidaire oplopen die, getraind door Nijenrode, alleen heeft geleerd dat de overheid de voorwaarden moet scheppen voor het bedrijfsleven.'' Kok beseft volgens Dragt niet dat de ambtenaar van nu niet meer dezelfde is als vroeger. De moderne ambtenaar is niet meer afwachtend en gezeglijk, maar mondig en uitkomend voor de eigen mening. ,,Kortom'', zegt Dragt, ,,de ambtenaar is geëmancipeerd.''

Een slimme minister maakt daar gebruik van en nodigt zijn ambtenaren uit hem zoveel mogelijk tegen te spreken. ,,Het is een feest om voor zo'n bewindspersoon te werken'', weet Dragt uit eigen ervaring met wijlen minister Dales van Binnenlandse Zaken. Een minister kan echter heel eenvoudig voor het tegenovergestelde zorgen. ,,Als hij zegt: `ik wens geen tegenspraak', dan zorgt hij voor zijn eigen ondergang. Dan is dat ambtenarenapparaat opeens gigantisch log en inert. En dan kan een minister helemaal niets.''

Politieke bestuurders moeten wat Dragt betreft verantwoordelijkheden afdragen aan ambtenaren. ,,Kwestie van vertrouwen.'' Wantrouwt een bewindspersoon de eigen uitvoeringsorganisatie, dan zal deze hem of haar verdrinken in dossiers met details. Voor het voeren van visionair beleid is dan eenvoudigweg geen tijd meer.

Ministeriële verantwoordelijkheid gaat daardoor vanzelf ook over details, terwijl het juist moet gaan over hoofdlijnen van beleid en over structurele tekortkomingen. ,,Hoe sterker een politiek bestuurder zijn visie - als hij die heeft - over weet te brengen op zijn uitvoerende, ambtelijke organisatie, hoe minder problemen hij zal hebben met de vraag waar zijn ministeriële verantwoordelijkheid ligt. Dat zie je aan de vorige kabinetsperiode: krachtige ministers hebben nauwelijks problemen gehad met hun ambtenarenapparaat.''