De eetbril

Men heeft mij gevraagd enige woorden te wijden aan de problemen van de ouder wordende gourmand. Bij alle aandacht voor de vergrijzing van Nederland negeert men de lekkerbekken. Het is een onderwerp dat ook in de vakliteratuur angstvallig wordt vermeden. We hebben hier kennelijk te maken met een van de laatste gastronomische taboes. Over het eten van mensenvlees, het bereiden van muskusratten of seksueel plezier met allerhande fruit is veel gemakkelijker informatie te vinden.

Nu doet de gelukkige omstandigheid zich voor dat ik in mijn directe omgeving de problematiek kan observeren. Goed beschouwd wijd ik mijn leven aan het bestuderen van de ouder wordende gourmand en zijn ongerief. Hij, laat ik hem om zijn persoonlijke levenssfeer te beschermen `Jansen' noemen, ervaart de eerste ongemakken die vergrijzende lekkerbekken te wachten staan.

De voorbode van eroderend culinair genot wordt manifest bij het lezen van de menukaart als het gezichtsvermogen achteruit gaat. De letters zijn vaak kleiner dan het tabloid-formaat van de kaart in restaurants met pretentie doet vermoeden. Kim Maclean heeft een paar weken geleden in de receptenrubriek van NRC Handelsblad beschreven met welke problemen de slechtziende gourmand wordt geconfronteerd als hij zijn leesbril heeft vergeten.

Het is slechts het eerste teken van verval. Jansen verkeert al in een volgende fase. Na de leesbril diende onvermijdelijk de noodzaak van de eetbril zich aan. Kreeft eten, een vis fileren, garnalen pellen, kokkels uithalen of een kwarteltje ontbenen is nu onmogelijk zonder bril. En dan mag hij nog blij zijn dat de porties in restaurants tegenwoordig zo kloek zijn.

Het besef dat de tijd van probleemloos genieten voorbij is, gaat bij Jansen gepaard met bezinning op zijn gastronomische toekomstverwachting. De eetbril is onmiskenbaar pas het tweede stadium in een voortschrijdend proces. Met de ouderdom komen de gebreken; helaas leiden die vaak tot tanend gastronomisch genoegen.

Het culinaire spectrum krimpt doordat bepaalde producten om een of andere reden niet meer mogen, dan wel beter niet kunnen, worden gegeten. Sommige zijn ongezond, veroorzaken of verergeren gezondheidskwalen, andere geven allergische reacties. De lijst verboden of minder gewenste ingrediënten groeit met het klimmen der jaren.

Wat mag ik over tien of twintig jaar niet meer hebben? vraagt Jansen zich vertwijfeld af. Zal ansjovis te zout voor me zijn, hazelnootmokkataart te vet en eendenlever te cholesterolrijk?

Kan ik in mijn eentje nog wel een tweepersoonspan mosselen leegeten? Moet ik muizenhapjes gaan eten omdat mijn maag nog maar weinig kan verdragen? Zou het er dan toch ooit van komen dat ik in een restaurant op vertoon van mijn 60+ kaart de gerechten laat halveren?

Hoe lang houdt mijn gebit stand? Kan ik onbekommerd in sappige appels en knapperig stokbrood blijven bijten? Of is pap in het zorgcentrum het wenkend perspectief, omdat mijn tanden niets anders meer aankunnen? Zodat culinair gezien het begin en het einde van het leven wordt gemarkeerd door Nutricia.

Zoals vaker gebeurt, uit de vrees voor de toekomst zich in hang naar het verleden. Jansen grasduint met overgave in de eigen gastronomische geschiedenis. Hij verhaalt over zijn eerste oester, `een hap zout water', zijn eerste geflambeerde flensje, `nooit deed een ober dat vaardiger', en over zijn eerste glas wijn dat hem tegen de zin van zijn moeder door een oom werd ingeschonken, `die jongen moet toch leren proeven?'

Deze herinnering confronteert hem met de tragiek van de wijnliefhebber op leeftijd. Er komt een moment, zo realiseert Jansen zich, dat hij eerder over de top heen zal zijn dan de aangeschafte wijnen. Kostelijke en kostbare jonge wijnen zullen mogelijk hun hoogtepunt pas bereiken op een tijdstip dat menselijkerwijs gesproken de wijnliefhebber zelf al het loodje heeft gelegd. En wie weet wat de erfgenamen gaan uitspoken met de Meursault-Perrières van Domaine des Comtes-Lafon, de Château Latour of de Pomerolletjes? Die verdwijnen misschien in de sangria of in de stoofpot.