Charmant trombonist

Spiegle Willcox, de trombonist die nog naast de jazz-pioniers van de jaren twintig op het podium heeft gestaan, is vorige week donderdag op 96-jarige leeftijd overleden. Hij stierf bijna in het harnas: deze zomer speelde hij, na concerten in Zwitserland en Duitsland, nog op het North Sea Jazzfestival en in twee jazz-cafés, en daarna, thuis in de Verenigde Staten, op een Bix Beiderbecke-festival. ,,Dat ik nu nog leef en werk'', zei hij zeven jaar geleden in deze krant, ,,heb ik zonder twijfel te danken aan de muziek.'' Maar de hartoperatie die hij twee weken geleden onderging, heeft hij niet meer overleefd.

Newell Willcox, die zijn leven lang de bijnaam Spiegle droeg, staat in de naslagwerken vooral vermeld vanwege de twee legendarische orkesten waarmee hij werkte: eerst Paul Whiteman's Collegians (1923-1924), als opvolger van Tommy Dorsey, en daarna de fameuze Jean Goldkette Band, waar hij speelde met latere beroemdheden als de violist Joe Venuti en de cornettist Bix Beiderbecke. Zelf noemde hij zich een sweet trombone player, die zich vooral beperkte tot het spelen van lyrische melodielijnen en het improviseren aan de anderen overliet.

Al in 1927 verkoos Willcox echter de zekerheid van het gezinsleven en een vaste werkkring boven het onzekere muzikantenbestaan. Met succes nam hij de kolenhandel van zijn vader over, woonde 250 mijl van New York verwijderd en speelde alleen nog met een vrijetijds-orkestje in de weekends. Pas nadat hij in 1975 met pensioen was gegaan, bijna vijftig jaar na het slot van zijn eerste beroepscarrière, speelde hij op uitnodiging van Joe Venuti mee in een Beiderbecke-herdenkingsconcert in de Carnegie Hall in New York. Sindsdien liet de muziek hem geen tweede keer meer los. Samen met zijn dochter, die zijn trouwe reisgenote werd, was hij voortdurend op tournee. Regelmatig deed hij ook Nederland aan. Hij maakte hier zelfs twee studio-cd's, begeleid door Nederlandse muzikanten.

Het zat Spiegle Willcox dwars dat hij niet meer beschikte over de lange adem uit zijn beginjaren, maar hij ving dat euvel op door kortere soli te spelen, improviserend nieuwe licks te ontdekken en af en toe ook een liedje te zingen – met een gruizige stem en een onweerstaanbaar charmante voordracht. ,,Ik ben blij dat ik hier ben'', luidde zijn standaardgrap van de laatste jaren. ,,Trouwens, op mijn leeftijd ben ik blij waar dan ook te zijn.''