Andere economische tijden nopen tot een ander regeerakkoord

Het wordt hoog tijd dat het debat over de Nieuwe Economie ook in Nederland wordt gevoerd, vindt Thom de Graaf. De gewijzigde omstandigheden vragen om een herijking van het regeerakkoord. Private rijkdom mag niet leiden tot publieke armoede.

De economie beleeft opmerkelijke tijden. In de Verenigde Staten is er al een decennium sprake van uitzonderlijke hoogconjuctuur. Ook in Nederland draait de economie al weer een fiks aantal jaren als een lier. Hoezeer de President van De Nederlandsche Bank of de directie van het Centraal Planbureau bij elke crisis in de wereld ook somberden over een waarschijnlijke terugval van de internationaal georiënteerde vaderlandse economie, het tegendeel bleek het geval.

Het CPB moet zich ondertussen geen raad meer weten: liefst drie keer dit jaar moesten de verwachtingen naar boven worden bijgesteld. De voorspellingen zijn conjunctuurgevoeliger gebleken dan de economie zelf.

De begroting voor het jaar 2000 zal daarvan profiteren: het financieringstekort daalt sneller dan verwacht en de meevallers in de overheidsinkomsten kunnen worden aangewend voor een forse lastenverlichting voor burgers en bedrijven.

Het gaat dus goed en toch wringt er iets. De vraag is of wij langzamerhand niet in een geheel nieuwe economische omgeving zijn terechtgekomen. Op gezag van het CPB plegen politici behoedzamer dan behoedzaam te zijn in aannames en veronderstellingen. Na hoogconjunctuur komt altijd weer laagconjunctuur en een recessie kan zomaar op de loer liggen, zo hebben wij allemaal geleerd. En dus ramen wij voorzichtig en stellen wij strakke normen op, die ons verhinderen de eerste de beste meevaller voor overheidsuitgaven te gebruiken, want eerst moet het tekort in de staatskas drastisch omlaag.

Het regeerakkoord van 1998 gaat uit van een gemiddelde jaarlijkse groei van 2 procent. Een jaar later lijkt dat wel mee te vallen. Het is niet onwaarschijnlijk dat de minister van Financiën het boekjaar 1999 over een paar maanden kan afsluiten met een groei van 3 procent, terwijl de CPB-voorspelling voor 2000 inmiddels eveneens de 3 procent nadert. In het voorzichtige scenario waarmee het kabinet van start ging, zou dit betekenen dat het regeerakkoord geheel kan worden uitgevoerd, zelfs als de economische groei in de laatste 2 jaren dramatisch zou terugvallen naar gemiddeld 1 procent. De in het regeerakkoord geplande maatschappelijke investeringen voor onderwijs, zorg, infrastructuur, milieu en veiligheid zijn juist gebaseerd op die terughoudende ramingen.

Komt er extra geld in de schatkist als gevolg van extra belastinginkomsten die weer samenhangen met hogere economische groei dan worden niet de wenselijke maatschappelijke uitgaven verhoogd, maar primair het financieringstekort verder verlaagd en lasten van burgers verlicht. Als die afspraken in de komende jaren onverkort worden doorgevoerd, kan het zelfs betekenen dat er een begrotingsoverschot ontstaat terwijl zorg, onderwijs en milieu nauwelijks van de meevallende economische groei kunnen profiteren.

Dat kan niet de bedoeling zijn. Als het komende jaar wederom een economische groei laat zien die ruim boven de voorspellingen uitgaat en daarmee de geraamde gemiddelde groei van 2 procent onrealistisch maakt, dan zal medio 2000 serieus een herijking van de begrotingsafspraken moeten worden overwogen. De Sociaal Economische Raad stelde vorig jaar een `midterm-review' voor. Dat kan uitermate zinvol zijn, omdat al te zuinig overheidsbeleid in economische voorspoed op langere termijn contraproductief is voor diezelfde economie en voor de zich daaraan aanpassende samenleving. Nederland is misschien wel blij met `private wealth', maar niet gediend met daaraan gepaard gaande `public poverty'.

Een belangrijke achterliggende vraag bij dit alles is natuurlijk of er daadwerkelijk sprake is van een Nieuwe Economie, die niet langer wordt gekenmerkt door afwisselende golven van laag- en hoogconjunctuur. De aanhoudende groei kan gebaseerd zijn op een gelukkig toeval, zoals een aanhoudend mooie zomer dat is. Er zijn ook pessimisten die beweren dat de uitbundige consumptie en koersstijgingen zich eigenlijk niet verhouden tot de onderliggende economische verhoudingen. Men spreekt wel van een zeepbel die ieder moment uiteen kan spatten en ons vervolgens in een langdurige depressie stort. Sommigen verwachten zelfs `bubble trouble' aan het einde van dit jaar.

De theorie van de Nieuwe Economie gaat er daarentegen van uit dat wij in een nieuwe tijd zijn beland, die wordt gekenmerkt door lage inflatie, hoge consumptie en langdurige economische groei. De belangrijkste oorzaak vormt de technologische revolutie. Recessies zouden in de Nieuwe Economie tot het verleden behoren, omdat het (risicovolle) aanhouden van voorraden met de moderne informatie- en communicatietechnologie niet langer nodig is. Het idee van de Nieuwe Economie spreekt natuurlijk tot de verbeelding. Het roept de spanning op van een ommekeer, een nieuwe tijd, waarin de industriële samenleving met de daarbij behorende economische paradigma's is ingeruild voor de informatiemaatschappij.

Het is vooralsnog veel te riskant om daar zonder meer op te vertrouwen. Wie dat nu zou doen, loopt het risico zich net zo te blameren als Nigel Lawson, die in 1988 trots verkondigde dat de Britse economie na een periode van groei definitief was getransformeerd, reden waarom het bedrijfsleven voortaan vol vertrouwen kon investeren. Een paar jaar later maakte Groot-Brittannië een voor naoorlogse begrippen ongekend zware recessie mee.

Toch is het interessant om de Nieuwe Economie verder te verkennen. Wat zijn de onderliggende elementen? In de eerste plaats kan gewezen worden op de effecten van de informatiemaatschappij. Een belangrijk gegeven blijkt te zijn dat het kostbaar is om informatie te produceren, maar goedkoop om deze te reproduceren en te distribueren. Dit betekent dat het belang van intellectuele eigendom en de bescherming daarvan enorm toeneemt. De keerzijde is dat grote groepen mensen gevangene kunnen worden van machtige monopolistische bezitters van kennis.

Een tweede element is wat wel wordt omschreven als de `netwerkeconomie'. De toegenomen communicatiemogelijkheden versterken het reeds bestaande netwerkkarakter van de economie, breiden dat uit en maken het complexer. Door het ontstaan van mondiale netwerken krijgt de globalisering van de economie een steeds sterkere impuls. Dit biedt niet alleen geweldige mogelijkheden voor internationale handel (ook het Nederlandse aandeel daarin is dit jaar toegenomen) en investeringen, maar ook voor culturele uitwisseling.

Een ander aspect van de netwerkeconomie is het schijnbaar toegenomen belang van externe netwerkeffecten van informatieproducten. Het nut van pc's, besturingssystemen en faxen neemt toe naarmate er meer gebruikers zijn in verband met toenemende mogelijkheden van communicatie en uitwisseling. Dat leidt tot schaalvoordelen aan de vraagzijde van de markt.

Een volgend element van de Nieuwe Economie zou het mogelijk verdwijnen van de zogenaamde productiviteitsparadox zijn. Toename van de productiviteit is, naast toename van arbeidsparticipatie, een belangrijke motor voor economische groei. Veelal wordt die toename bepaald door technologische en organisatorische vooruitgang. Alleen maar `harder werken' kent immers zijn grenzen. De geïndustrialiseerde landen hebben echter in de afgelopen decennia een vertraging in de productiviteitsgroei meegemaakt, ondanks de expansie van de technologie. Deze paradox is tot op heden onopgelost. In de Nieuwe Economie zou dit verschijnsel echter verdwijnen, zo wordt gesteld, door toenemende elektronische handel en verbeterde communicatiemogelijkheden.

Of de veranderingen daadwerkelijk revolutionair zijn, is nog niet vast te stellen. Duidelijk is wel dat de zaken momenteel volop in beweging zijn. De publieke discussie hierover in Nederland is mager te noemen, ook onder economen. Een invloedrijk blad als ESB laat het thema zo goed als links liggen. Binnen het CPB, dat zo druk is met steeds weer nieuwe voorspellingen, blijkt het volgens Elsevier van 7 augustus jl. nauwelijks onderwerp van gesprek te zijn. En ook in politieke sferen is het stil. Minister Jorritsma van Economische Zaken zou er goed aan doen het debat hierover te entameren. Gezonde Hollandse scepsis mag er immers niet toe leiden dat ons economisch denken stil blijft staan. Het is veelzeggend dat een van 's werelds meest vooraanstaande economen, de Amerikaan Paul Krugman in NRC Handelsblad van 3 juli jl. zijn aanvankelijke wantrouwen inwisselde voor een volmondige erkenning dat de economie blijvend is veranderd door de aandrijving van de informatietechnologie.

De Nieuwe Economie heeft voor Nederland grote consequenties, maar het is de vraag of wij ook voldoende zijn voorbereid. Het kabinet heeft nog betrekkelijk weinig gedaan om een visie te ontwikkelen op de verreikende gevolgen van de digitalisering voor de samenleving. In deze krant (26 augustus) wees Roel Janssen er bovendien op dat Nederland, anders dan Amerika, een minder flexibele arbeidsmarkt kent en veel verborgen werkloosheid. Voorts is het zo dat ons land zich weliswaar graag tooit met de titel Kennisland, maar dat de investeringen in het onderwijs als percentage van het nationaal inkomen de laatste twintig jaar met bijna eenderde zijn afgenomen en onder het gemiddelde zitten van de OESO-landen. Moet dat niet tot een omslag in ons beleid leiden? Andere vragen betreffen de monopolisering van kennis en het (internationale) gevaar dat de economische macht aan de controle van de democratie dreigt te ontsnappen, om over de afbrokkelende mogelijkheden van privacybescherming maar te zwijgen. Niet voor niets kondigde The Economist enkele maanden geleden al `the end of privacy' af.

Het is tijd voor een fundamentele discussie in Nederland over deze Nieuwe Economie. Dat zou niet alleen voor economen moeten gelden, maar ook voor politici. Een goed begrip van de fundamentele wijzigingen in het economisch bestel leidt immers ook tot fundamentele politieke keuzen op terreinen als onderwijs, technologiebeleid, werkgelegenheid en de verhouding tussen economie en ecologie. Paars II zal die keuze moeten maken en ook daarvoor is volgend jaar een tussentijdse bezinning op het regeerakkoord een goed instrument.

Thom de Graaf is lid van de Tweede Kamer en voorzitter van de D66-fractie.