Akkerman schildert zichzelf als de menigte

Philip Akkerman (1957) schildert al achttien jaar zelfportretten, niets anders dan zelfportretten. In die tijd heeft hij er 1.700 getekend en 1.300 geschilderd, dat is ongeveer drie per week. ,,Ik moet zelfportretten blijven maken mijn hele leven lang, in voor- en tegenspoed'', schreef Akkerman in 1986. Hoe komt iemand ertoe zichzelf zo'n levenstaak te stellen?

In het Haags Gemeentemuseum worden nu 178 van Akkermans werken tentoongesteld, in het kader van de Ouborg Prijs, een oeuvreprijs van de gemeente Den Haag die dit jaar aan de schilder werd toegekend. Deze prachtige tentoonstelling verheldert niets over de motieven van de schilder. De schilderijen zijn hun eigen verklaring: ze moeten er zijn, dat spreekt ook uit de gespannen blikken op de portretten. Het zijn namelijk eerder portretten dan zelfportretten.

Akkerman schildert zichzelf als een ander, zijn gezicht is slechts materiaal; het gaat hem niet om de afbeelding maar om de schilderkunstige ontdekkingen die de beperkte onderwerpskeuze juist lijkt te genereren.

De schilderijen zijn van een bescheiden formaat; het gezicht, ongeveer op ware grootte, vult bijna het gehele kader. Het aanzicht is meestal driekwart, soms frontaal. De mond is altijd gesloten, de blik is somber en geconcentreerd, een kenmerk van bijna alle zelfportretten uit de kunstgeschiedenis. Haarstijlen en hoofddeksels verwijzen naar verschillende tijden en plaatsen: vanonder een gleufhoed kijkt een man uit de jaren dertig ons aan, een pony en bakkebaarden roepen de jaren zeventig in gedachten. Bij wijze van geste naar de lange traditie van het zelfportret leende Akkerman de tulband van Jan van Eyck en de strooien hoed van Van Gogh.

In een van de zalen wordt duidelijk welke ontwikkeling de schilder heeft doorgemaakt. Aan de ene kant hangen enkele van de eerste zelfportretten uit 1982, ontstaan niet lang na zijn opleiding aan de Ateliers '63 in Haarlem. Het zijn donkere en oninteressante werken in neo-expressionistische stijl. Hoe groot is het contrast met de schilderijen uit 1996-97 die daar tegenover hangen: de hoekige gezichten bieden een fascinerend spel van licht en schaduw, de heldere grijze en blauwe kleuren geven de afbeeldingen, ondanks de gevorderde techniek, iets onwerkelijks. Sommige werken van de laatste jaren doen denken aan het fijne, gladde schilderwerk van Willink. Bij Akkerman begint het magische langzaam het realistische te overheersen, sinds hij is opgehouden voor de spiegel te werken en hij de belangrijkste technische problemen onder de knie heeft. Zijn recentste portretten zijn angstaanjagend: knoestige koppen met een vlammende haardos of een blauwe huid, alleen de blik is gelijk gebleven.

Het bijzondere van dit project is de grote variatie die bereikt wordt in de herhaling. De schilderijen van deze amodieuze volhouder kunnen heel goed de postmoderne gedachte illustreren dat tekens geen betekenis krijgen doordat ze naar de werkelijkheid verwijzen, maar doordat ze onderling een systeem van verschillen vormen. Akkerman schilderde in 1986 een lange reeks koppen met onderling kleine verschillen, en elk schilderij helpt het voorafgaande en het volgende te definiëren. Door de herhaling in die reeksen raken de werken los van het schijnbaar individueel-narcistische dat ze aankleeft: Akkerman schildert zichzelf als een menigte; hij schildert iedereen, zoals hij zelf eens zei. Na afloop van de tentoonstelling heb je het idee dat je helemaal niet weet hoe de persoon Akkerman er in werkelijkheid uitziet.

Tentoonstelling: Philip Akkerman – Het geheim van de spiegel. Schilderijen en tekeningen 1981-1999. T/m 18 oktober. Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41, di-zo 11-17 uur.