Verspeelde kans

TEGEN DE VERWACHTING IN is het referendum over de status van Oost-Timor vandaag vreedzaam begonnen. De opkomst was veelbelovend, wat betekent dat de kiezers zich niet hebben laten intimideren door het geweld van de afgelopen tijd. Een meerderheid in de voormalige Portugese kolonie wordt geacht voor onafhankelijkheid te zullen stemmen. Aan de Indonesische strijdkrachten gelieerde groepen hebben daarentegen geen middel geschuwd om het electoraat bij de stembus weg te houden. Indonesië had het gebied in 1975 ingelijfd nadat de Portugezen met stille trom waren vertrokken en een burgeroorlog was uitgebroken. De angst is dat na het referendum het geweld niet ophoudt. Voorstanders van onafhankelijkheid hadden daarom vorige week de VN om een vredesmacht gevraagd.

Al van het ontstaan van een onafhankelijk Indonesië af hebben zijn leiders een visioen gehad van een ondeelbare archipel. Dat bracht de eerste president, Soekarno, tot zijn confrontatiepolitiek met Nederland over Nieuw Guinea en vervolgens met Maleisië over voormalig Brits Borneo. Nadat India in 1962 zonder veel internationale tegenstand de Portugese kolonie Goa had ingelijfd, meende Soekarno's opvolger, Soeharto, dat kunstje in Oost-Timor te kunnen herhalen. Dat pakte anders uit. Geen enkel land erkende de machtsgreep van Jakarta en in de VN werd Indonesië herhaaldelijk veroordeeld.

DE CLIMAX OP TIMOR komt op een voor de regering-Habibie wel zeer ongelukkig moment. Etnisch geweld dreigt in sommige delen van Indonesië endemisch te worden. Gebieden die al in de koloniale tijd dwarslagen als Atjeh, of waar zich na de onafhankelijkheid separatistische tendensen ontwikkelden als de Zuid-Molukken, zijn opnieuw brandhaarden, zij het dat op het eiland Ambon de afscheidingsbeweging van de RMS, nog altijd manifest in Nederland, geen rol speelt. Als dat geweld al op één noemer kan worden gebracht, dan is die argwaan en verzet tegen manipulatie en uitbuiting door de machthebbers in Jakarta, de huidige of toekomstige. Hoezeer etnische en religieuze factoren ook een rol spelen, de kern is toch vooral een natuurlijke tegenstelling tussen een op macht belust centrum en buitengewesten met eigen belangen.

Indonesië zal uiteindelijk niet in staat zijn al deze brandhaarden met geweld te doven. De gelijktijdigheid van de uitbarstingen, de onduidelijkheid rondom de opvolging in de macht in Jakarta, alsmede het groeiende zelfbewustzijn onder de bevolking maken een herhaling van de harde repressie waarmee het regime-Soeharto zich midden jaren zestig vestigde onwaarschijnlijk. Anderzijds is de politieke saamhorigheid en de sociaal-economische vervlechting in Indonesië in het algemeen te ver ontwikkeld om het separatisme meer te laten worden dan een beperkt regionaal verschijnsel. Indonesië's leiders zouden er daarom wijs aan doen het herleefde regionalisme te aanvaarden voor wat het is: de behoefte aan een zekere autonomie. Daaraan kan beter worden tegemoetgekomen dan dat zij met de wapens wordt gesmoord. In Oost-Timor lijkt Jakarta zijn hand overigens voor afzienbare tijd te hebben overspeeld.