Russische beer is geen bedreiging voor het Westen

Niet Rusland of China maar de haarden van instabiliteit in het zuidoosten en het zuiden van het NAVO-verdragsgebied vormen grote veiligheidsrisico's, meent C. Homan.

Wat aanvankelijk leek op een spontaan uitgelokte toezegging voor de radio, blijkt inmiddels een politieke meesterzet te zijn geweest: de Strategische Toekomstdiscussie van minister De Grave, waarin de samenleving zijn mening kan geven over de toekomst van onze defensie. Afgaande op de (voorspelbare) pluriformiteit van de binnengekomen bijdragen aan deze discussie kan de minister straks vrij probleemloos zijn Hoofdlijnennotitie als Defensienota 2000 presenteren. Hij vaart hiermee een veilige middenkoers.

Zo staat aan het ene uiterste van het maatschappelijk debat Mient-Jan Faber van het IKV die vindt dat de enige rechtvaardiging van de krijgsmacht nog gelegen is in het uitvoeren van humanitaire interventies. Aan het andere uiterste heeft Patrick van Schie van de Teldersstichting (het wetenschappelijk bureau van de VVD) zich gepositioneerd met zijn studie `Krijgsverrichtingen achter de kim'. Van Schie bepleit een Nederlandse defensie die de hoogste prioriteit toekent aan het voorkomen van een aanval met massavernietigingswapens (en bij het falen hiervan de gevolgen zoveel mogelijk in te dammen) en het voorbereid zijn op de reanimatie van de `Russische beer'. Hij onderbouwt zijn conclusie met een lappendeken aan (potentiële) dreigingen die hij ontleent aan de niet meest opgewekte strategen in deze wereld. Hij schildert een Rusland af waarvan hij niet wil uitsluiten dat het weer tot grootschalige herbewapening zou kunnen overgaan.

De feiten: De NAVO heeft momenteel een kwantitatief overwicht in conventionele bewapening op de Russische Federatie van meer dan 2.5:1. En dan zwijgen we nog maar over de kwalitatieve superioriteit van de NAVO op dit gebied.

Bovendien zijn in het CSE (Conventionele Strijdkrachten in Europa)-verdrag limieten vastgelegd voor de grote wapensystemen. Schending van deze limieten kan via een adequaat verificatie-systeem waarin het verdrag voorziet snel worden vastgesteld. Dat het Westen op opeenvolgende schendingen van dit verdrag geen actie zou ondernemen lijkt toch uiterst onwaarschijnlijk.

Belangrijkste obstakel voor een wederopbouw van de Russische krijgsmacht vormt echter het tekort aan geld. De defensie-uitgaven zijn sinds het midden van de jaren '80 met 90 procent gedaald. En van het goedgekeurde defensiebudget wordt in de praktijk maar ongeveer de helft gehonoreerd. Verouderd materieel, criminaliteit en corruptie, slechte discipline en achterstallige salarissen bepalen het beeld van de hedendaagse Russische strijdkrachten.

Zorgwekkend is wel dat bij gebrek aan conventionele strijdkrachten de Russische Federatie in haar doctrine het hoofdaccent is gaan leggen op nucleaire wapens. Wat dat betreft verkeert Rusland nu in de situatie waarin de NAVO tijdens de Koude Oorlog verkeerde. Dit is dan ook een belangrijke verklaring voor het feit dat de Russen hun sinds 1982 gekoesterde `no first use'-verklaring voor de inzet van kernwapens hebben ingetrokken. Vooral de ontwikkelingen op het gebied van tactische nucleaire wapens – die als enige niet onder een wapenbeheersingsregime vallen – baren zorgen. Besprekingen met de Verenigde Staten over een wapenbeheersingsakkoord voor deze categorie van nucleaire wapens verdienen een hoge prioriteit.

Naast het islamitisch fundamentalisme ontbreekt – hoe kan het anders – ook China niet in het lijstje met potentiële dreigingen. Uit recente analyses van het Pentagon blijkt echter dat China momenteel niet eens in staat is een invasie op Taiwan uit te voeren. Hoewel de Chinese krijgsmacht er kwantitatief imponerend uitziet, is het overgrote deel van het militaire materieel sterk verouderd en dateert uit de jaren '50. Bovendien laten de training en operationele vaardigheden van het personeel veel te wensen over. Het hoofdaccent in de Chinese militaire doctrine ligt op lokale, conventionele oorlogen en militaire crises in de periferie van het land. Dat komt ons vertrouwd voor, want eenzelfde hoofdaccent treffen we aan in het nieuwe Strategisch Concept van de NAVO.

De voornaamste gemeenschappelijke component van het scala aan dreigingen dat Van Schie ons voorschotelt bestaat uit die van massavernietigingswapens in samenhang met die van ballistische raketten. Niet ontkend kan worden dat deze ontwikkeling serieuze aandacht verdient. De vraag is echter of een massale verdediging tegen deze dreiging wel een wenselijk, laat staan een technisch haalbaar antwoord is. Het Star-Warsproject van president Reagan kwam in 1993 roemloos aan zijn einde omdat de `droom van onkwetsbaarheid' op drijfzand bleek te berusten. Voorstanders van antiballistische raketschilden besteden over het algemeen ook weinig aandacht aan eventuele vijandelijke tegenmaatregelen. Te denken valt bijvoorbeeld aan het storen van de elektronische systemen, de inzet van kruisraketten die de antiballistische raketschilden kunnen ontduiken en het binnensmokkelen in een land van nucleaire, biologische en chemische wapens.

Minister De Grave heeft inmiddels terecht afstand genomen van de (onbetaalbare) worst case-aanbevelingen van deze studie. De grootste veiligheidsrisico's voor West-Europa schuilen de komende jaren immers in de haarden van instabiliteit in het zuidoosten en het zuiden van het NAVO-verdragsgebied. De Nederlandse positie, ambitie en verantwoordelijkheid in deze wereld brengen met zich mee dat de krijgsmacht in staat dient te zijn deel te nemen aan klassieke oorlogvoering en (regionale) collectieve verdediging alsmede bijdragen te leveren aan interventies in complexe interne conflicten in deze regio's. Daarvoor is ook de versterking vereist van defensieve capaciteiten tegen raketten zoals de PAC-3 raketten voor het Patriot-systeem en antiraketraketten voor de nieuwe luchtverdedigingsfregatten. Maar die hebben voornamelijk een beschermende functie voor de troepen die in deze regio's moeten opereren.

Mr.drs. C. Homan is generaal-majoor der mariniers b.d. en is verbonden aan Instituut Clingendael.

moet verdedigen en interveniëren