Olielanden zetten productiebeperking voort

De olieministers van Saoedi-Arabië, Venezuela en Mexico hebben zaterdag in Caracas verklaard dat de afgesproken vermindering van de olieproductie tot eind maart volgend jaar moet worden voortgezet.

De drie ministers, Ali Al-Naimi van Saoedi-Arabië, Ali Rodriguez van Venezuela en Luis Tellez van Mexico, waren in de Venezolaanse hoofdstad bijeen voor een analyse van de prijs- en marktontwikkelingen. In maart van dit jaar sloten ze in Wassenaar een akkoord voor een forse beperking van de productie.

Kort daarna besloten ook Opec en een groepje niet-Opeclanden aan die beperking mee te doen. Geleidelijk aan namen de olievoorraden in de wereld af, al zijn ze nog steeds hoog in vergelijking met de laatste vijf jaar. Sinds maart is de olieprijs met 80 procent gestegen tot een niveau van bijna 21 dollar per vat (159 liter) nu.

Saoedi-Arabië en Venezuela zijn de grootste en meest invloedrijke lidstaten van Opec; Mexico is geen lid van die organisatie. De drie ministers spraken in hun verklaring het vertrouwen uit dat de elf Opec-lidstaten de afgesproken productiebeperkingen zullen handhaven tot eind maart. Ze achten dat nodig ter handhaving van ,,de stabiliteit en duurzaamheid van de (herstelde) olieprijzen''.

De verklaring is volgens waarnemers bedoeld om recente speculaties dat sommige Opec-landen hun productie weer willen opvoeren nu de prijzen gunstig zijn de kop in te drukken. Op 22 september vergaderen de olieministers van Opec in Wenen.

Met voldoening constateerden de drie ministers dit weekeinde dat de oliemarkt geleidelijk is teruggekeerd naar stabiliteit, waardoor de prijzen zich hebben hersteld. Maar ze voegden eraan toe dat hun doel is de wereldolievoorraden ,,tot normale volumes terug te brengen, om een duurzame stijging van de vraag en de olievoorziening mogelijk te maken''.

Een voorstel van Venezuela om een vaste bandbreedte in te stellen waarbinnen de olieprijs zich moet bewegen werd aangehouden voor nadere studie en overleg binnen de Opec. Dit plan zou moeten leiden tot een mechanisme waarbij het productieniveau automatisch wordt aangepast als de prijzen te laag of te hoog worden.

Zowel de olielanden als de westerse landen die sterk afhankelijk zijn van import zouden van die grotere stabiliteit profiteren. Situaties als in het afgelopen jaar, waarin de olielanden hun inkomsten sterk zagen dalen, worden dan vermeden. Een stabiele prijs op een redelijk niveau (18 tot 21 dollar per vat) zorgt er ook voor dat olie- en gasprojecten met een hoger kostenniveau dan bijvoorbeeld in de Golfregio rendabel blijven. Ook projecten voor duurzame energie komen bij lage olieprijzen in gevaar.

Het persbureau Reuters vernam in Caracas van bronnen binnen de regering dat Venezuela een aanvankelijk ruime bandbreedte van 16 tot 20 dollar voor de prijs van de toonaangevende Noordzee-olie Brent voorstaat, die later geleidelijk versmald zou moeten worden. Volgens de Venezolaanse minister Rodriguez is het idee goed ontvangen, maar is de discussie nog in een ,,zeer pril stadium''.