Nu met muis

De hervatting van deze rubriek werd met een week uitgesteld omdat ik op computercursus moest. Ik hoop niet dat u dit opvat als een mager excuus, want zo'n cursus betekent hard en zwaar werk voor een digibeet als ik. Trouwens, ook mijn instructeur zal soms de uitputting hebben gevoeld van een tennisleraar die een 62-jarige vuttende beginneling de dubbele backhand moet leren.

Op computergebied had de wet van de remmende voorsprong mij bijna een fatale slag toegebracht. Tien jaar geleden was ik op de krant een van de eersten die zich thuis een computer aanschaften. Het was een kleine, sympathieke Tandy, alleen geschikt voor simpele tekstverwerking. We leidden een kalm, muisarm bestaan, wat iets heel anders is dan een bestaan met muisarm.

Ik raakte erg gehecht aan mijn Tandy. Niet één keer heeft ze me in de steek gelaten. Wij konden elkaar urenlang in de ogen kijken alsof wij de enige wezens op aarde waren. Heimelijk hoopte ik dat we samen stokoud mochten worden. De passie zou slijten, maar de liefde bleef, dat wist ik zeker.

Maar toen begon de buitenwereld zich ermee te bemoeien. Heb jij nog een Tandy uit de jaren tachtig? Weet je wel wat je mist? Voor veel mensen leek het grote geluk pas in hun leven gekomen sinds ze konden internetten en e-mailen. Ze wisten weer waarvoor ze leefden. Sommigen lazen 's avonds The New York Times op Internet, ook al hadden ze vroeger vaak geklaagd over die veel te dikke Nederlandse dagbladen, anderen stuurden opeens e-mailtjes naar een obscure neef in Canada voor wie ze nooit eerder een ansichtkaartje hadden overgehad.

Kennelijk was ik bezig de boot van mijn leven te missen. Mijn trouw werd belachelijk gevonden, ik kon me niet meer met mijn Tandy vertonen. Het werd tijd voor een leuke, jonge vriendin. Haar naam is Dell. Ze heeft een groter, witter gezicht, haar kont steekt verder naar achteren en als we bezig zijn, maakt ze veel meer lawaai. Spannend is het wel, maar ik moet nog erg aan haar wennen.

Gelukkig ben ik niet de enige. Als je zoals ik een week op de automatiseringsafdeling van een krant doorbrengt, waan je je soms in de ziekenboeg achter het oorlogsfront. Er komen regelmatig patiënten langs met versteende schouderpartijen die je kreunend bezweren nooit meer een `muis' aan te raken. Vroeger stierven journalisten aan de drank en de gonorroe, tegenwoordig lijken ze zich naar de afgrond te clicken.

Ook was er elke dag wel een wanhopige collega die telefonisch meldde dat zijn apparaat `volkomen vastzat'. Dan moest de instructeur hem als een loods stapje voor stapje de weg in zijn helse machine wijzen.

Mag ik met mijn nieuwe vriendin wél oud worden? Mijn instructeur schudde resoluut het hoofd. Over drie jaar krijg ik weer een ander. De vooruitgang is meedogenloos.