Luxe discussie weer terug bij af

Met meevallers in de lucht rekent de politiek zich rijk, op het verkeerde moment.

De geschiedenis herhaalt zich altijd anders, maar lijkt dit keer wel heel erg op een jaar geleden. Bij het debat over de regeringsverklaring, op 26 augustus 1998, kruisten fractieleiders in de Tweede Kamer de degens over eventuele extra bestedingen bij een eventueel verdampt financieringstekort in de kabinetsperiode 1998-2002. Het geld was nog niet verdiend, maar PvdA-fractieleider Melkert wilde de verwachte winst alvast verdelen. Het luxeprobleem werd in het Kamerdebat groter en groter, wat premier Kok tot een ironisch bedoelde verzuchting bracht: ,,Laten we maar hopen dat dat gunstige overschot er niet komt. Dat wordt ons graf. Wij vallen in het gat van het overschot.''

Drie weken later, in de week van Prinsjesdag '98, was het met de verwachtingen ineens veel somberder gesteld. De woorden begrotingsevenwicht en -overschot werden bijna een jaar lang niet in de mond genomen. Tot vorige week, toen Centraal Planbureau en kabinet hun sommen voor het komende begrotingsjaar moesten afmaken. Het planbureau voorzag dat een begrotingsevenwicht per 2001 voor het grijpen zou liggen. Het kabinet temperde de rooskleurige ramingen, want het wil niemand in een spending mood brengen.

En weer was het PvdA-fractieleider Melkert die dit weekeinde de discussie over de besteding van verwachte extra middelen alvast naar zich toetrok. Het is een initiatief dat eerder politieke dan praktische betekenis heeft. Melkert weet dat de Miljoenennota is gebaseerd op ramingen en hij weet ook dat die ramingen weinig hardheid vertonen: gezien de ervaring van vorig jaar, gezien de rekenmodellen van het CPB die sleetse plekken beginnen te vertonen. Wie echt politiek zaken wil doen, moet daarom vooral in het voorjaar opletten, als de balans van het afgelopen begrotingsjaar is opgemaakt. Dan wordt duidelijk hoeveel meevallers er te verdelen zullen zijn dankzij meevallende rijksuitgaven. Dat is écht geld, in tegenstelling tot het nemen van een voorschot op verwachte meevallende inkomsten.

Jaarlijks in de weken voor Prinsjesdag buitelen percentages over elkaar heen, zoals dezer dagen: over 2,5 of 2,75 procent economische groei in het volgend jaar, over 0,5 of 0,1 procent begrotingstekort. De gemiddelde kiezer zal de getallen niet snel uit het hoofd leren. Dat hoeft ook niet. Over drie weken kunnen er weer nieuwe getallen zijn. Wel mag de kiezer onthouden dat het onverminderd goed blijft gaan met de Nederlandse economie en dat de PvdA heldere keuzes maakt om verwachte extra belastingopbrengsten te verdelen: voor onderwijs, voor zorg.

Achter die heldere keuzes gaat een complex politiek debat schuil. Een rol daarbij speelt het regeerakkoord, waarin haarfijn is vastgelegd wat er bij diverse percentages begrotingstekort moet gebeuren: zoveel voor lagere belasting, zoveel voor extra rijksuitgaven. Veel politieke ruimte zit daar niet in, behalve dan wanneer er deze kabinetperiode plotseling een begrotings-overschot zou zijn. Maar zo durven nog weinigen te rekenen.

De realiteit van deze kabinetsperiode wil dat er al 1,8 milard extra voor het onderwijs en 2,2 miljard extra voor de zorg is uitgetrokken. Dat geld kan onder meer worden besteed aan personeelsuitbreiding. Maar helaas, personeel is nauwelijks te vinden en daarmee is het extra geld moeilijk uit te geven. En als er in de komende jaren al extra geld te verdelen mocht zijn, dan wil de VVD de staatsschuld versneld aflossen en wil D66 niet alleen `inzetten op' onderwijs en zorg, maar ook meer investeren in kinderopvang, duurzame landbouw en energie. Waarmee de discussie na Prinsjesdag kan doorgaan waar ze op 26 augustus vorig jaar gebleven is.